De scherpslijpend lezende critici in mijn eigen familie ten spijt, komt zwager Frans de eer toe te hebben opgemerkt dat er een storende naamsverwisseling stond in Ter Memorie En Meerdere Glorie deel II: de scheelogende zoon van de buren met de eerste tv, die vlakbij en naast het toestel placht te zitten, was niet Theo maar Harrie van Dooren. Met excuses aan Harrie en de familie Van Dooren en met dank aan zwager Frans. Waarvan akte.
Niet alleen dank voor de mooie reacties - waaronder ik ook schaar dewelke afkomstig waren van degenen die lieten weten er geen snars van te hebben begrepen - maar tevens voor de discretie van hen die mij bewust niet hebben gewezen op mijn onterechte aanhef ’sonnet’. Ik kwam letterlijk woorden tekort, iets wat inderdaad een zeldzaamheid is…, voor een echt sonnet. Ik werd daar uiteraard wel op gecorrigeerd door wie anders dan de schoolmeester in onze familie, al gebiedt de waarheid me te melden dat ook hij daarbij enige discretie aan de dag legde. Waarvan akte.
Voor een onvervalst sonnet, ontbreekt het nog aan één couplet
Met een afwijkend refrein, het moeten veertien regels zijn
Dus blijf voorlopig aan de lijn, ook al wordt het geen festijn
Zodra me niets daarin belet, wordt het in mekaar gezet
Ondanks, of mischien wel juist dankzij de amateurische opleidingsopzet slaagde ik erin om mijn Z-diploma te halen. Nu was ik dus dubbelgediplomeerd. Dubbel gehandicapt door kennis van zowel zwakzinnigheid als van geestesziekten, om nog even met besmuikt genoegen bij het jargon te blijven dat toentertijd werd gebezigd om van die kennis te getuigen. In de huidige, modermistischeufemistige tijd (zolang er reden toe is, blijf ik deze aanduidingen gebruiken) spreekt men van mensen met een intellectuele uitdaging. Ik zal meteen toegeven dat zwakzinnig een ongelukkig gekozen term is, om over idioot en diepgestoordnogmaar te zwijgen. Niet eens zó lang geleden zocht men het nog in de beperking en nu is het, zoals nagenoeg alles, een uitdaging. Ik ben tijdens mijn lange loopbaan door deze mensen vaak tot het uiterste gedaagd en de diagnose ‘uitdagend gedrag’ is te pas en nog veel vaker te onpas gesteld ingeval van handelingsverlegenheid van gedragswetenschappers, -therapeuten en begeleiders. Maar welke intellectueel zwak uitgedaagde geest komt in hemelsnaam tot deze onzinnige benaming??!!
Edoch, de wereld van de geestelijke gezondheidszorg lag aan mijn, al beduidend minder balverliefde voeten; niets stond een glansrijke carrière in de weg. Omdat zulks nogal eens tegen me werd gezegd of hierop werd gezinspeeld, kan het best zijn dat ik daar zelf ook in heb geloofd. Dat kan nooit lang geweest zijn, maar toch. Ik paste toen nog naadloos in het promotieprofiel. Diploma’s, reeds enige ervaring, schijnbaar zelfverzekerd en met het (in)zicht van éénoog in het land der blinden. Maar meest van al: ik was een man. En al helemaal omdat ik in dienst was geweest, want daar word je…
Nu heb ik Het Vaderlandse Leger van destijds al eens oneerbiedig omschreven als Neerlands grootste zwakzinnigeninstituut. Ware ik elders in de wieg gelegd voor wat dan ook, behalve militair, ik zou dezelfde mening zijn toegedaan. De oneerbiedigheid is tegenover de zwakzinnige burger, die grossomodo hoe dan ook vredelievender is dan Jan Soldaat.
Je kunt dus alles van me zeggen, maar niet dat ik geen geduchtgedegen vooropleiding heb gehad. In dier voege was het nog niet zo’n gekke aanname dat ik mijn strepen en balken zou verdienen in dienst van de intellectueel en geestelijk minder uitgedaagde medemens.
Alras werd ik geroepen tot een hoger ambt, dat in willekeurige volgorde als groepseerste, groepsoudste en groepshoofd werd betiteld. En dan zie ik waarschijnlijk nóg een paar eretitels over het hoofd. Want dat was het wel, een erebaantje. Iets om trots op te zijn, een geuzennaam, maar zonder geldelijke beloning. Daar deed je het toch niet voor? Het was een roeping en wie over salaris, laat staan opslag begon, had z’n roeping gemist. Nee, sterker nog! Was een roepende in de woestijn!
Voorbeeldje. In het CAO stond een passage over een extra toeslag, in het bezit zijnde van meerdere verpleegdiploma’s. Dit was echter niet dusdanig geformuleerd dat het slechts voor één uitleg vatbaar was. De strekking was evenwel overduidelijk. De toenmalige, omhooggevallen verantwoordelijke man, die beknibbelen zowel hoog in het vaandel als in zijn naam had staan, wilde er echter niet aan. Over ’s mans incompetentie én over de zwaar onderschatte en kwalitatief onderbezette rol die de afdeling Personeelszaken structureel en sectorbreed destijds en tot op de dag van vandaag nog steeds vervult, kunnen hele boeken vol worden geschreven. Dát zou voor de man in kwestie veel te veel eer zijn, maar die kwalijke rol zal nog menigmaal ter sprake komen in deze kolommen. Laat ik hier volstaan met een stelling. De afdeling wordt veelal aangeduid als P & O. Personeel& Organisatie. Bijna overal is dat een kleine p en een grote O. En dan ook nog eens een O van likmevestje!
Zo, dat is er uit en geloof me: het lucht op! Maar wist ik toen veel. Ik was bezig de carrièreladder te bestijgen en ook al was het geen vetpot, iets te vertellen hebben en delegeren paste me als eenQuick-voetbalschoen. Let wel, iets te vertellen hebben, betekende en betekent voor mij nog steeds niet anderen willen vertellen wat ze moeten doen. Al geef ik grif toe dat ik ook dáár niet vies van ben. Toch gaat het me meer om de gelegenheid en de status te bezitten om iets te vertellen waarnaar in elk geval geluisterd en waarmee rekening gehouden wordt. En delegeren kan ik als de beste, vooral zaken en taken die ik niet beheers en waaraan ik de schurft heb. Dat valt bijna altijd samen en bovendien zijn het er vele. Het gezegde het nutige met het aangename verenigen, is me dan ook op het lijf geschreven.
Als eerste werd ik dus, als oudste, hoofd van de groep. In deze niet-officiële functie mocht je op paviljoensniveau meepraten met het kader. Dat bestond uit het paviljoenshoofd en het assistent-paviljoenshoofd. Er was ook een pedagogisch medewerk(meestal)ster. Ofschoon dat een staffunctie was, vervulde deze in de praktijk vaak een min of meer leidinggevende rol op inhoudelijk begeleidend gebied. Hierdoor vormde het paviljoenskader toch vaak een driemensschap. Het feit dat ze kantoorsgewijs vrijwel op elkaars lip zaten, zal hieraan niet vreemd zijn geweest. Een dergelijke setting was mijn volgende tree op en in de leer naar de uiterst précaire en impopulaire positie van het middenkader.
Televisie was nog nauwelijks in beeld. De weinige zwart-wittoestellen brachten af en toe wat kleur in ons leven. Aanvankelijk konden we een eind verderop bij de Hubersen terecht, maar dan moest wel de toch al zo schaars gevulde beurs worden getrokken. Zoon Leo mocht de opbrengst in zijn zak steken en wij gunden hem dat wel als compensatie voor zijn niet al te grote snuggerheid. Ons slissende buurmeisje Betsie staat model voor deze vroege vorm van commerciële tv met haar evenzo hardnekkige als hilarische binnenkomer: “Mag ik vur vêif centen tillevisie komme kèken”. Haar vader, de legendarische Harrie (van?) de Weijer, kon z’n brommer alleen maar tegen de muur tot stilstand brengen. De buren met de eerste tv, Hanneke en Gradje van Dooren, hadden een scheelogende zoon Harrie (alle Turken heten Ali en alle markante persoonlijkheden heten Harrie…) die altijd vlakbij en schuin naast het toestel zat en bijna in het scherm kroop als er een omroepster in beeld was. Hij sprak dan steevast de gedenkwaardige woorden : “Ik geleuf nie dè de tillevisie goed stõ”. Wij als zwart-witkijkers hadden zo wel mooi een dubbel bezienswaardig beeld.
Voor het overige worden mijn jeugdherinneringen gemarkeerd door incidenten, ongelukjes, ruzies, maar ook daarvan heb ik geen scherp beeld. Waarschijnlijk door het tumult eromheen zijn ze beklijfd. Heel vaag is mijn oudste ‘herinnering’, die van het aanrechtincident, waarbij ik de peuterhoofdverdachte was in de zaak waarin zusjelief vanaf de aanrecht in een wasketel met kokend water viel, daaruit gered moest worden en er lelijke brandwonden aan overhield. Wij zouden samen aan hetknikkerenzijn geweest op de aanrecht en ik zou in mijn boosheid haar een duw hebben gegeven. In hoeverre dit mijn eigen herinnering betreft, is zeer de vraag. Meer waarschijnlijk is dit blijven hangen nadat er later meermalen over verteld werd.
Mijn vroegste, enigszins tastbare herinnering is aan een voorval op de kleuterschool, waarbij door mijn toedoen een ander kind een soort van beenbreuk opliep. Bij mij is blijven hangen dat het Bennie Timmers is geweest, waarmee ik later in mijn jeugd nog regelmatig ben opgetrokken. Van een wraakactie kan ik me niets herinneren, maar wat niet is geweest, kan natuurlijk nog altijd komen. Alhoewel, Ben is nu hoofd der basisschool waarop onze kinderen hebben gezeten. Maar toen liet Ben zijn hoofd daar nog niet zien. Toch binnenkort eens vragen wat hiervan in zijn geheugen is geprent.
Van weer wat ouder zijnde herinner ik me de consternatie rondom het overrijden van ons hondje op de Provinciale Weg. Ik liep ermee langs deze straat en had hem (of haar, want wist ik toen veel dat er ook vrouwtjeshonden waren) bij één of meer pootjes vast. Om een of andere reden heb ik hem losgelaten en liep het hondje de straat op en werd pardoes overreden. In mijn herinnering door een vrachtauto. Maar in de ogen van een snotneus is elke auto een vrachtauto. Of men boos op mij was, weet ik niet meer. Denk van niet. Het ongeluk zelf en de comemotie hieromtrent hebben mogelijk de meeste indruk op me gemaakt.
Ook staat me nog vaag, maar toch onuitwisbaar het vliegtuigongeluk bij dat zo beginjaren ’60 plaatsvond. Ik zie mezelf nog voor ons ouwe huis of aan de overkant van de weg staan en een vliegtuig steeds dichter bij de grond komen, ter hoogte van Gestel of Strijp. Het toestel verdwijnt achter de bomen of huizen en even daarna zie ik vuur en een dikke rookwolk. Nog steeds schrik ik me te pletter wanneer een vliegtuig als uit het niets laag en oorverdovend komt overgevlogen. En vraag ik me af of ik ook dáár niet medeverantwoordelijk voor was. Want dit rijtje positioneert me toch als een veelpleger, een draaideurcrimineeltjeavant la lettre.
En verder? Och, verder was ik in mijn memorie altijd aan het voetballen ter meerdere glorie, alleen al om het huis met kibbelkiftkijvende ouders, broeders en zusters te ontvluchten. Maar ondertussen werd Heintje Mazuro natuurlijk wel een stukkie ouder, de herinneringen daarentegen jonger dus levendiger, wellicht waarachtiger, zondermeer pikanter en soms ook voor gezinsleden èn mezelf navranter.
Wie weet stel ik dat nog eens ooit op schrift. Maar u weet inmiddels hoe het is gesteld met de scherpte van mijn herinneringsvermogen en bewustzijn. Dus of het me nog lang zal heugen? Laat ons evenwel hopen dat het niet zoiets wordt als Ter Memorie Van Vergane Glorie.
Noot vooraf: dit is een opgepimpte versie van een verhaaltje dat ik enige maanden terug maakte ter gelegenheid van een feestelijke boottocht in Vlaanderen. Het was ter ere van mijn oudste broer Toon, thans Ton en vooral Meurs A.M., die al een veel langere weg heeft afgelegd als schrijver van enkele toneelstukken, HetWerk, een heuse roman en een hoorspel. In de blogroll hiernaast kunt u op zijn naam klikken en het komt allemaal te voorschijn. Het thema van van deze bootocht was ieders herinnering van de jaren ‘50/’60. Hieronder staat deel I, komende week volgt deel II. Wellicht ter bevordering van het historisch besef van de jongere lezersen ter herkenning vande leeftijdgevorderden. Tot genoegen.
Was ik maar gezegend met een scherper herinneringsvermogen en me doorgaans meer bewust geweest van mijn omgeving. Ik ben stikjaloers op mensen die haarfijn situaties en anekdotes kunnen oplepelen uit een recent, maar ook donkergrijs verleden. Na de vertelling begint me soms wel wat te dagen en schiet er in één keer iets als een lichtflits dwars door mijn benevelde bewustzijn heen. Maar het is niet tastbaar, het beklijft niet. Niet meer althans, want herinneringen beklijven slechts wanneer ze bijtijds worden opgeslagen op onze harde hersenschijf.
Natuurlijk, elk nadeel… Er is genoeg aan mijn memorabele strijkstok blijven hangen om blij te zijn dat vele evenzo onverkwikkelijke als onvermijdelijke groot-gezin-met-weinig-middelen-perikelen zijn vervaagd, zo niet uitgewist. Je zult maar vier oudere zussen hebben en een oudste broer die uitgerekend in zijn puberteit voor het celibaat gaat! En een krullenbol als nakomertje, terwijl de rest zelfs na een etmaal krulspelden in nog met de handen in het steile haar zit. En dan wordt dat permaventje (waar we later gerust een s aan toe kunnen voegen..) ook nog eens om de haverklap op tafel gezet om al zingend het bezoek te vermaken! Terwijl in mijn herinnering Kuus en Knijn – de scheldnamen die respectievelijk broer Gerard en ik ons moesten laten welgevallen – nooit samen op tafel werden gezet. Hoe mooi tweestemmig zij ook als Jan und Kjeld konden zingen! ‘Sing ein Lied, Sing ein Lied, Little Banjo Boy, Banjo Boy…’. Pas nu zie ik enige gelijkenis met de blondste van de twee…
Overigens was iedereen voorzien van een scheldnaam, waardoor dit als de gewoonste zaak van de wereld werd gezien. Zo was er in de buurt een succesvolle brommer- annex motorfietszaak (buikschuiverRoyal Nord!), die werd bestierd door een zekere Bultje Raaijmakers. Mijn zussen plachten de man een tijdlang vriendelijk met “Dag Bultje” te begroeten, in de veronderstelling dat dit zijn voornaam was. In werkelijkheid moest het mannetje enigszins gebocheld door het leven… Bultje ging er evenwel niet gebukt onder, iets waaraan zijn destijds alleszins florerende handel niet vreemd zal zijn geweest.
Nee, het zijn veelal diffuse sfeerbeelden die uit mijn jeugd en familieleven in (Meer)Veldhoven zijn blijven hangen. Ik heb weinig exacte herinneringen. En zo er die al zijn, dan gaat het om namen, curiositeiten of uitspraken die telkens weer worden opgedist en opgefrist. Voor de vuist weg herinner ik mij de tochten naar en van school met wat voor bal dan ook aan de voet, maar ook de in mijn beleving talloze keren dat ik de wc thuis net niet haalde en met en als drollenvanger door het leven moest. ‘s Nachts bij oudste broer in bed ‘beentje in’, de angst dat er iemand onder het bed lag. De gelukzalige ontdekking van chips en alles wat daarna aan knabbelspul ter wereld kwam; het ultieme genot van een bord met zelf vers gebakken friet en mayonaise op een apart schoteltje , helemaal voor mezelf alleen, boven op de slaapkamer. Eindeloos voetballen met en tegen groot en klein; het trotse, gelukzalige gevoel dat je er goed in was en de bewondering en status die je daarmee afdwong. Talloze recordpogingen met broer Gerard wie het langst de bal hoog kon houden en natuurlijk heb ik in mijn herinnering het record met 1511(?) keer..
Ome Nol en tante Ans, Elly en Frits, Maria Blankers (zonder Koen), tante Pietje uit Hilvarenbeek, dikke tante Sientje, de neven uit Gelderland, met name Johan. En die ene (Willy?) die op zwembad ’t Witven – thans door het leven gaand als (sic!) Cambiance – de blits maakte met de zogenaamde dodenval vanaf de hoge duikplank. De nylons en jarretels van Tante Net die niet de moeite deed om de benen bij elkaar te houden. Het hard roepende markante hoofd van tante Anna en de lekkere pudding die je kreeg als je daar op vakantie was, amper twee kilometer van huis en toch zo ver weg. Ons vãder in onderbroek bij de Véssemse Vennen, met het hele gezin in een busje van een zekere Albers naar het witte stadje Thorn in Limburg. Hoe exotisch kunnen vakanties zijn?!
DIT LAG NOG OP DE PLANK, DUS EVEN EEN TUSSENDOORTJE. VOOR – IN ALFABETISCHE VOLGORDE – ASTRID, BEA, CARLA, ELS, JACQUELINE, NICOLINE? NOU JA, VOOR AL DEGENEN DIE (GE)DICHTBIJ BIJ ME STAAN EN MOEILIJKE, LANGE ZINNEN LIEVER OVERSLAAN. EN VOOR DIE HEIMELIJKE FAN, DIE IK NOG, HELAAS, NIET KEN.
ALLEN ZIJN ME EVEN DIERBAAR, DUS HOPELIJK IS HET LICHT VERTIERBAAR.
Mazuro heeft er inmiddels een gewoonte van gemaakt om u kond te doen van zijn reis- en vakantiebelevenissen. Enigszins gewaagd was de bestemming onlangs het grensgebied kop Overijssel/Drenthe met als afsluiting een weekendje Katwijk. Dat laatste was ook om reden van een voetbalwedstrijd van zoonlief op zaterdag aldaar. Toevalligerwijs hadden beide locaties een hoog strenggereformeerd karakter, met natuurlijk Staphorst als reformatie in volle gratie. Niet dat we er last van hebben gehad, behoudens dan dat er meer kerken open waren dan kroegen.
Nu is het zo dat vooral Hollandse plaatsnamen mij van de weeromstuit woordoverspelerig en rijmelarijk maken. Dan passeer ik een plaatsnaambord of een richtingaanwijzer en onwillekeurig gaan de namen met me aan de haal. Ik weet, het is een afwijking, een dwangstoornis, en lang niet iedereen zit te wachten op de wrange vruchten daarvan. Welnu, die kunnen dan bij deze afhaken. Voor de rest volgt nu een woordgrap(?)dichter in optima forma. Maar wel, zoals met bijna elke grap, mét een grote of kleine boodschap.
Al fietsend door het vrome Staphorst
waar men uit liefde node sap morst
omdat men ’s Heren gramschap torst
en dus niet lachen om de grap dorst
Walhalla van schijnheiligheid
het summum van langwijligheid
waar gij die onrein geilig zijt
in borstrok balein veilig vrijt
We vertoeven in het Reestdal
veel boerderij, een enkele veestal
en degene die dit leest zal
waarschijnlijk denken, dat is meestal
Van het Reestdal op naar Katwijk
boter bij vis, voorwaarde schatrijk
de visboer als Islamabad-sjeik
waar ik als door een sleutelgat kijk
Dwang tot kuisheid en godvruchtigheid
bang voor vuigheid en ontuchtigheid
hang naar vrijheid en voortvluchtigheid
verlang naar veiligheid en luchtigheid
We komen nog niet zozeer dichterbij het heden, maar geografisch gezien wel nader tot personen die mijn geschriften op waarheidsgehalte kunnen toetsen, aangezien er velen zijn die Severinus trouwer zijn gebleven dan hun eigen levenspartner. Hoewel….
Hier ga ik al meteen memorabel de mist in. Want van hen die ik voor ogen heb, zijn er opvallend veel, althans voor de bühne, monogaam gebleven. Dat geldt evenwel niet voor ons geheugen en al zeker niet voor het mijne. Er is niets of niemand waardoor we vaker in de steek zijn gelaten of worden bedrogen dan het geheugen. Hoe het ook zij, de feiten worden steeds meer controleerbaar, de meningen alsmaar meer bediscussieerbaar, om niet te zeggen discutabel. En het risico dat ik op mijn afrekeningen wordt afgerekend des te groter.
Echter, we moeten hier wel meteen één ding onomwonden vaststellen: Severinus is mij zeer dierbaar en Biezenkuilen 8/69 in het bijzonder. Dit wordt dus allesbehalve een meedogenloze afrekening van een verbitterde ex-werknemer. Als het goed is, wordt dit een genuanceerd kritisch analytische terugblik op een lange, doorgaans aangename, soms onprettige, maar altijd leerzame carrière bij een instelling die hoe dan ook de kwaliteit van zorg, leven, wonen en werken hoog in het vaandel draagt. En daar heb ik – maar anderen nog veel meer – een steentje aan bijgedragen.
Ter opfrissing van uw geheugen: ik moest na Sint Servatius dus soldaatje spelen. Om zo snel als mogelijk uit dienst te komen, diende ik met succes een rekest in om vanwege studieredenen na een jaar af te mogen zwaaien. Eind januari 1974 pleurde ik mijn plunjezak voorgoed op zolder. Dat ik pas in september dat jaar bij de Z(wakzinnigenzorg)-opleiding in kon steken, kon de legerleiding ook niet weten. Naar ik meen was 14 februari 1974 mijn eerste werkdag op de Sint Severinus Stichting en en mijn eerste werkplek paviljoen 3, groep 3. In den beginne waren er op De Berkt nog maar twee paviljoens (3 en 4). Op ‘t Honk bevonden zich 1 en 2. De Berkt is later uitgebreid met paviljoen 5 en 6. Elk paviljoen had vijf wooneenheden, die men als groep* aanduidde. De meeste groepen werden bevolkt door twaalf bewoners, toen nog pupillen.
Men sprak van hoog en laag niveau-groepen. Dat had in geen enkel opzicht met etages, laat staan verdieping te maken. Men verdiepte zich destijds nog niet zo in benamingen. Nee, het sloeg terug op het verstandelijke en zelfstandigheidsniveau van de pupillen. Wanneer de pupillen waren afgestudeerd en tot bewoners danwel cliënten werden gepromoveerd, is, althans voor mij, moeilijk aan te geven. Op 1 en 2 bevond zich de hogere burgerij, op 3 en 4 de onderlaag der bevolking; 5 was voor de rolstoel- bedlegerige of lichamelijk gehandicapte bewoners van gewoonlijk hoog niveau. En dan had je zo her en der nog een tussengroepje: een meer heterogeen samengestelde groep. ‘Mijn’ groep was dus van een bedenkelijk laag niveau qua intellectuele vaardigheden, maar desalniettemin zeer creatief in het vinden van allerlei curieuze gedragingen om ons als begeleiders bezig te houden. Trouwens, wij werden geen begeleiders genoemd. Wij waren groepsleiders/sters, dacht ik. In elk geval geen broeders en zusters in Severinus of in Christus, zoals wel nog enigszins te doen gebruikelijk was op Servaas. Misschien mocht wat we deden wel geen naam hebben.
Als B-gediplomeerde (psychiatrie) mocht ik in de Z-opleiding als 2e jaars insteken. Een aantal vakken hoefde ik dus niet te volgen. We hadden zo om de 4 á 5(?) weken een lesweek. Net als in de psychiatrie werkten er in de zwakzinnigenzorg naar verhouding veel meer mannen dan tegenwoordig. Nou ja, mannen… Met mijn 23 jaar was ik een veteraan vergeleken bij velen van mijn klasgenoten en collega’s. Toch mag deze lesgroep gerust legendarisch worden genoemd. Menigeen doorliep een opmerkelijke en lange carrière bij Severinus en twee exponenten daarvan werken er zelfs nu nòg, 36 jaar na dato! Dat mag aan alles behalve het niveau van lesgeven te danken zijn geweest. Ofschoon ik dus amper de helft van de lessen heb gevolgd, spraken deze al voor zich. Functionarissen als artsen, verpleegkundigen, pedagogen en psychologen werden zonder mededogen voor de leeuwen geworpen, niet gehinderd door enige didactische en vaak ook nog theoretische kennis. En de enige min of meer professionele docente offerde meer aan Bacchus dan kennisoverdrachtelijk aan haar leerlingen.
Nu waren wij als jonge, hemelbestormende honden niet zo gemakkelijk af en te onderrichten, maar toch. De opleiding was eigenlijk een regelrechte farce. Als al wat oudere en relatieve buitenstaander heb ik nogal eens een overbruggende rol moeten spelen tussen het ‘docenten’korps en morrelende leerlingen. Maar van heel deze, zij het korte, opleidingsperiode is mij toch het meest bijgebleven dat wij de nogal onbescheiden gewoonte hadden om het leslokaal te betreden, onderwijl luidkeels zingend ‘Here we are!’, het intro van het beste Bee Gees-nummer Nights On Broadway. Voor intimi behoeft het geen betoog dat uw scribent hierbij de leading vocal voor zijn rekening nam.
En die keer dat de helaas al geruime tijd overleden Theo Lammers mij toesprak met de onsterfelijke woorden: ‘Der Heinschen, immer lustig’. Dit was vroeg ’s morgens tijdens een soort van themadagen en we allen in één ruimte vlak naast elkaar in slaapzakken sliepen, ik slaap- en stomdronken even m’n ogen opende en in het bebaard olijke gelaat van Theo keek. Een mooie anekdote en ode aan Theo ter afsluiting van deze episode.
*groep. Deze term is onlosmakelijk verbonden met het woordgebruik in Zorg & Welzijn. Ook toen de normalisering, decentralisering en individualisering de begeleide woonsector in een wurgende greep kregen, wist de groep van geen wijken. Nergens ook is het/de groepsdenken en -benadering zó sterk verankerd als in de gezondheids- en welzijnssector. Nog steeds krijg ik spontaan de jeukkriebels als ik denk aan al die groepswerkopdrachten tijdens verpleegkundige en sociale opleidingen/ cursussen. Maar daarover ongetwijfeld later meer.
De schrijfwoede van Mazuro is vooralsnog niet te temperen. Naast heinscatchup publiceert hij met verschillende regelmaat over zijn haat/liefdeverhouding met de voetbalwereld in al haar facetten.
Minimaal wekelijks kunt een post van hem lezen op het onvolprezen familieweblog Voetblah. Tweewekelijks schrijft hij een column voor de website Voetbalplus. Al deze blogs en sites vindt u in de blogroll aan de rechterzijde van de homepage. U hoeft hier slechts op te klikken en het komt te voorschijn. Uiteraard dient u dan te zoeken naar Mazuro onder ‘columns’.
Bent u voetbal- of sportliefhebber/ster, laat u dan niet weerhouden om het te lezen en desgewenst van commentaar te voorzien.
Tot genoegen!
Tsja, Severinus.. Zo’n dertig jaar heb ik er gewerkt, verreweg het grootste deel van mijn werkleven. Zeker voor een man was de carrière-move (Guernsey-invloed..) van de psychiatrie naar de zwakzinnigenzorg qua loopbaanontwikkeling ongebruikelijk en voor velen onbegrijpelijk. Let wel, ik spreek met opzet van zwakzinnigenzorg omdat dit destijds usance was. Servatius had grote paviljoens vol met zogenaamde oligofrenen, onderverdeeld in idioten, imbecielen en debielen. Die hebben we in de huidige modernistische, cliëntgerichte tijd niet meer. Althans, we noemen hen nu anders. Klantvriendelijker, maar ookeufemistiger.
Hoe dan ook, met een B-diploma op zak ging je het ziekenhuis in om je A-diploma te halen, want dat was de logische opmaat voor een functie als afdelingshoofd of, niet zelden, als directeur van een verpleeghuis. Of het ook op maat gesneden was…?
Óf je ging de opleiding volgen voor sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Maar naar de Z, dat was not done. Ik was echter geen carrièreplanner, ik wilde gewoon terug naar Veldhoven. In elk geval weg uit Limland, waaraan ik zeker leerzame ervaringen en prettige contacten heb overgehouden, maar waar ik me toch niet echt thuis voelde en in toenemende mate ging storen aan de vaak wat achterbakse, kleinburgerlijke mentaliteit. En waar moet je dan anders heen dan naar het levenslustige, grootstedelijke Veldhoven..?!
Ach, eigenlijk was het allemaal veel trivialer. Mijn wederhelft woonde en werkte daar, we waren inmiddels samen gaan wonen en van de antieke psychiatrie had ik even mijn buik vol. Zo arriveerde ik dus bij de Sint Severinus Stichting, zoals dat toentertijd heette. De ontheiliging, in meerdere opzichten, kwam later. Ik ging de Z-opleiding doen en mocht als 2e-jaars beginnen. We schrijven februari 1974 wanneer ik mijn eerste schrandere schreden zet op de paden der zwakzinnigenzorg.
Voor de goede orde zij vermeld dat de beginjaren ‘70 model staan voor de opkomst van de zwakzinnigeninrichtingen. Ze rezen als paddestoelen uit de bosgrond omdat de psychiatrische centra zich ontdeden van hun chronische patiënten met een kinderlijk verstand. Zo ontstond bij Venray (Oostrum) Nieuw Spraeland, dat zich gaandeweg ontwikkelde en verzelfstandigde tot een expertisecentrum voor (ernstige) gedragsgestoordheid bij (licht) verstandelijk gehandicapten. Later heb ik vaak gedacht dat, de buik niet zo vol gehad van Limburg, mijn toekomst best eens daar had kunnen liggen.
Ter bevordering van begrip en historisch besef: Severinus is voortgekomen uit kinderinternaat ‘t Honk, dat was gevestigd in het kerkdorp Zeelst van de gemeente Veldhoven, op de plek waar nu de wijk Akkereind ligt. Eind jaren ‘60/beginjaren ‘70 wordt de volwasseneninrichting De Berkt in kerkdorp Oerle gebouwd door architect Fons ‘Ik wil kapot gaan aan de dingen waar ik van hou’Vermeulen. Een destijds (kennelijk) revolutionaire bouw: uit grijze stenen opgetrokken paviljoens, waarin een lange, brede gang met aan weerszijden woonunits, die ook weer bestonden uit een lange gang met aan weerszijden slaapkamers, terwijl het geheel uitmondde in de badkamer naast de woonkamer, inclusief een open keukentje. O ja, elk paviljoen had meteen links haar zogenaamde A-unit, waarin zich een openbare zit- annex tv-ruimte bevond, een koffiekamertje waar het personeel pauzeerde en vooral roddelde, een magazijn, een sanitaire ruimte, een dokters/behandelkamer, een kantoor voor het kader en een nachtdienstkantoortje.
Als weliswaar architectuurbarbaar zag ik noch het revolutionaire, noch het praktische van deze schepping en nauwelijks 20 jaar later kreeg deze revolutie dan ook alweer de absolutie. Kapitaalvernietiging was voor een poos het populairste woord in de paviljoenswandelgangen. De macht van Vermeulen was alomtegenwoordig, want zelfs de tinten van het Severinusvoetbaltenue moesten door deze zondermeer kleurrijke figuur worden gefiatteerd…
De paviljoenspopulatie wordt gevormd door oudere pupillen (destijds waarachtig zo genoemd!) die van thuis kwamen óf van andere instellingen, vooral psychiatrische centra; een onstuitbare exodus, zoals eerder beschreven. De Berkt herbergt hele groepen – ook al zo’n gehospitaliseerde en schier onuitroeibare benaming - met oudere, karakteristieke zwakzinnigen, voornamelijk afkomstig van Huize Padua te Boekel.
Aldus ontstaan twee locaties, ‘t Honk en De Berkt, die aanvankelijk ook onmiskenbaar elk hun eigen werkcultuur hebben. Daarnaast ontwikkelt zich vanaf de eindjaren ‘70 de buitenhuiscultuur, het wonen in huizen buiten de instellinglocaties. Niet onbelangrijk, omdat deze jongen gerust vereenzelvigd mag worden met deze cultuur vanwege het feit dat hij aan de wieg stond van het eerste buitenproject en pas zo’n 27! jaar later als het ware het ouderlijk (buiten)huis heeft verlaten.
Er volgen nog meer buitenhuizen, een logeerhuis en vele dagbestedingprojecten. Midden jaren ‘90 ontvouwt zich het masterplan, wat uiteindelijk resulteert in de ‘omgekeerde integratie’, een woonvorm waarmee Severinus furore maakt en op vele plekken navolging krijgt. ‘t Honk en De Berkt worden geleidelijkaan ontsloten, de ‘oude’ paviljoens worden afgebroken en voor alle groepen worden nieuwe huizen gebouwd. Tegelijkertijd wordt de grond voor particuliere woningbouw beschikbaar gesteld en zo ontstaan twee wijken waarin Severinusbewoners en Veldhovenaren naast en door elkaar in een en dezelfde wijk wonen. De Berkt behoudt haar naam, ‘t Honk wordt omgedoopt tot Akkereind. Zo evolueert Severinus in betrekkelijk korte tijd van de ene naar de andere revolutionaire huisvesting.
Welke pikantprecaire processen, prikkelende perikelen, saillante signalen en ritselende rituelen met deze (r)evolutie gepaard gingen, kunt u lezen in de volgende afleveringen.