Feeds:
Berichten
Reacties

PLOTSKLAPS BEN JE GROOTVADER
JE KRIJGT HET IN DE SCHOOT GEWORPEN
OM METEEN JE AANDACHT OP TE SLORPEN
TERSTOND STAAT JE HET KLEINOOD NADER

TOEKOMST MIXT MET HET VERLEDEN
VROEGER PAART AAN  MOMENTEEL
WE LEVEN MEER FUNDAMENTEEL
ZICH SPITSEND LOUTER OP HET HEDEN

TROTS VERMENGT ZICH MET BEDUCHTHEID
GELUK VORMT JE ACHILLESPEES
WANT-WIE-WEET-WORD-JE-WEL-BERUCHT, MEID!

MAAR ZOLANG IK NOG VERHAALTJES VOORLEES
EN JIJ TOT LUISTEREN BLIJFT BEREID
LEEFT OPA MEER MET HOOP DAN VREES

HOEZO EEN MENTAAL SPELLETJE?!

Wie wel eens een tennisballetje geslagen heeft, is zeker en vast bekend met de verzuchting tijdens het naspel: Wat is het toch een mentaal spelletje! Doorgaans gebezigd door de verliezende partij als verklaring voor onverklaarbare dieptepunten. En natuurlijk, het mentale aspect in welke spelvorm of sport dan ook, is een onmiskenbare factor. Toen ik echter vanmorgen Serena Williams en Justine Henin bezig zag in de finale Down Under, was de aanhef van dit realaas het eerste wat in me opkwam. Het fysieke contrast kon niet groter zijn! Ware men onvoorbereid en onbekend met de tenniswereld en het deelnemersveld, men zou zich hebben gewaand op een moeder-dochter-toernooi. Al zouden we hier dan wel te maken hebben met een adoptie-situatie. Daarbij ook nog een revolutionaire, in die zin dat een gekleurde moeder een blank kind zou hebben geadopteerd. Dat dit kind uit Begië komt, maakt het wel weer iets geloofwaardiger. Evenzogoed een gevalletje van de omgekeerde wereld.

Maar wat een clash der tegenpolen!! De nagenoeg gemummificeerde, massieve, voloptueus vrouwelijke  body van Serena tegenover het iele, spichtige, ontvleesde, jongensachtige lijf van Justine. De ongelijke strijd tussen twee zwaar doorwegende, zwoegende borsten en – zoals wij snotneuzen vroeger zeiden – twee erwtjes op een plank. Een verschil van 22,5 kilo en 8 cm!! Qua lichaamsgewicht en -lengte welteverstaan…
Echter, hoe ongelijk ook de strijd tussen de fysieke eigendommen, op de tennisbaan is het maar zeer de vraag hoeveel gewicht we hieraan toe moeten kennen. Qua uitstraling en imponeergehalte heeft Serena veel meer vlees in de kuip, al zullen er altijd lieden zijn die vallen op het schijnbaar onvolgroeide knaapjeslijf van Justine. Overigens, op kostscholen, kloosters en seminaries zouden de Serena’s wel raad weten met die knaapjesknijpers. Maar – om met Wilfred Genee te spreken – dit geheel terzijde.

Beschouwen we het tennis ook als een bewegingsspel, dan gaat die set voorzeker naar Henin. Desondanks was het bewonderenswaardig hoe Williams haar weelderig gevormde  lichaam telkens meezeulde op een vooraf vergeefs lijkende missie. Zonder welke seksuele bijgedachte dan ook – althans op die momenten… – vroeg ik mij regelmatig af hoe zwaar haar borsten te lijden hadden onder het zwoegende juk. Die van Henin leken nergens last van te hebben. Maar helaas is tennis, zoals vrijwel alle balsporten, ook een powersport geworden. Snelheid en kracht geven tegenwoordig maar al te vaak de doorslag. En die set is uiteraard voor Serena Williams, die heel wat meer gewicht achter haar slagen kan zetten.

Blijven over de techniek, het tactische vermogen en – daar komt het toch weer om de hoek kijken – de wedstrijdmentaliteit, de mentale weerbaarheid. Over de techniek valt niet te twisten. Justine Henin is zonder twijfel de meest begaafde van de twee. Haar slagenrepertoire is zowel uitgebreider als gevarieerder en haar enkelhandig geslagen backhand is zonder weerga in het vrouwentennis. Mits ze de tijd en ruimte daarvoor krijgt. En dan zijn we meteen aanbeland bij het belangrijkste aspect in nagenoeg elke twee- of wedstrijd: wie de meeste tijd heeft om keuzes te maken en die keuze ook nog eens ten uitvoer te brengen, is spekkoper. 

Hoewel het spelbeeld en de te verwachten afloop voortdurend wisselden, gaven uiteindelijk het gewicht, het gezwoeg, de kracht en wellicht ook de mentale weerbaarheid van Serena de doorslag. Ook nog eens ondanks – of dankzij? – de hoorbare voorkeur van het publiek voor down underdog Justine. Serena mag zich daarvoor op de borst kloppen. Dat mag Justine ook, al zal dat geluid wat holler klinken.

Blijven wij zitten met de vraag hoezeer zo’n zware tennisborstpartij doorweegt in de uiteindelijke uitslag en welkeen wissel er wordt getrokken op een toch allesbehalve afgetraind lichaam.
Ofwel: wat zeggen dit gegeven én de schijnbaar moeiteloze terugkeer van de lookalike van nicht Ellen, Kim Clijsters, en van Henin over het niveau van het vrouwentennis?

Het was nog de tijd van de koffiekamer. Om te pauzeren ging men van de werkplek (groep) af, om in de ruimte die we nu het rookhok zouden noemen, eens lekker te kankeren op Jan, Sjan en alleman. Zolang die maar niet in dezelfde ruimte aanwezig waren. Het kader was daar meestal niet bij, dus scoorde hoog op de kankerladder. Dit populaire, vooral Zuidnederlandse tijdverdrijf, waarbij veel meer over dan met iemand wordt gesproken, heeft mij altijd tegengestaan. Al kost ook mij het moeite om mijn afkomst in dat opzicht te verloochenen. Daarbij heb ik meermalen pijnlijk ervaren hoe mensen je keihard kunnen laten vallen en glashard eerder geuite kritiek ontkennen als de rook in de koffiekamer is opgetrokken en men met de kritiek en de bekritiseerde wordt geconfronteerd.

Ik zat duidelijk niet op mijn plek in die functie en dat was niet alleen vanwege die lachwekkende, maar ook treurige samenloop van omstandigheden. Hoewel ik het spel kende en er zo af en toe ook niet vies van was om het mee te spelen, stond het hoge politiek gekonkelgehalte mij danig tegen. En toonde je zo af en toe je kwetsbaarheid, dan werd je daar bij gelegenheid genadeloos mee om je oren geslagen. Huichelarij, kontenkruiperij en hielenlikkerij vierden hoogtij en de weg omhoog liep doorgaans langs dezelfde, geëikte en gebaande paden. Het OR-lidmaatschap en dat van de volleybalclub vormden niet zelden de opmaat naar een leidinggevende functie en naar opname in de warme schoot van de Severinusfamilie. *

Kijk, volleyen hebben wij voetballers als vanzelfsprekend nooit onder de knie gekregen. Hoogstens de doelmannen onder ons, die nu eenmaal in arren moede de plaats onder de lat innemen, omdat ze niet kunnen voetballen. Een bal met de hand beroeren, dat is hands. Geen wonder dus dat ik als voetbaljunk de bal steevast in het netje deponeerde in plaats van erover. Omdat ik ook al vroeg de goede raad kreeg om niet te gaan ondernemen, bleef ik een ongekroonde prins. Ik paste niet in het profiel en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ook de nodige moeite deed om buiten welk profiel dan ook te vallen.

Maar de redding was nabij! De zwakzinnigenzorg was inmiddels vergeven van woon- en leefgemeenschappen voor mensen met een verstandelijke handicap. We hadden de Dennendal-affaire doorleefd en de begrippen integratie, normalisatie en decentralisatie waren bezig aan een onstuitbare opmars. Geen enkele, zichzelf respecterende instelling kon achterblijven, al heeft de praktijk inmiddels geleerd dat wel degelijk menigeen is achtergebleven. Net zo goed als niet weinigen zijn doorgeschoten in hun drang en waan zich te profileren als vooruitstrevend, vernieuwend en baanbrekend. En dit alles ten koste van hun meest kostbare goed: de patiënt, de bewoner, de cliënt. Maar de grondgedachte was legitiem en prijzenswaardig: een zo persoonlijk, normaal en vraaggericht mogelijke woon- en werkomgeving voor onze verstandelijk beperkte medemens.

De (toen nog) Severinusstichting pakte uiteraard de innoverende handschoen op en kocht een stevig, ruimbemeten pand buiten de instellingswijken ‘t Honk en de Berkt: Biezenkuilen 8. Aanvankelijk aangeduid als fasehuis, want opgestuwd in de vaart der vernieuwingsdrang, zag men de doorstroom naar een nóg meer zelfstandige en normale woonplek al (nog) voor ogen. Deze jongen werd gevraagd om dit vernieuwingsproject te gaan leiden en coördineren en daar had hij wel oren naar. Sterker nog: het kwam als geroepen en voor even heb ik toen zelfs geloofd dat ons werk inderdaad een roeping is, zoals vele leken – maar ook managers, bestuurs- en directieleden – ons en zichzelve aldoor willen wijsmaken.

Ik werd gered uit de slangenkuil van het kader en het management en kon aan de slag in een kleinschalige werkomgeving met zo weinig mogelijk inrichtingselementen. Met veel eigen verantwoordelijkheid voor zowel succes behalen als jammerlijk falen. Met heel mijn hart en ziel ben ik er ingedoken, al besefte ik toen uiteraard niet dat ik eind 1978 de eerste stappen zette op een route die nagenoeg een werkleven lang in beslag zou nemen. Zeg maar gerust een levenswerk.
Wat er zoal op deze lange route met mij en anderen gebeurde, doe ik een volgende keer weer uit de doeken.

 

Het was evenwel niet alom kommer en kwel. We moeten dit in tijd en perspectief zien. De zeventiger jaren werden groten- en merendeels nog gekenmerkt door sterk hiërarchische restanten uit het burgerlijke tijdperk, terwijl er tegelijkertijd een massale emancipatiebeweging op gang was gekomen. Het is nu eenmaal inherent aan zulkeen dubbelhartige overgangsepisode dat het ontbreekt aan duidelijkheid (gelukkig was het woord ’transparantie’ toen nog niet in zwang!) en saamhorigheid. Een vacuüm tussen sterk uiteenlopende visies is een ideale voedingsbodem voor gekonkel en gekronkel. (Het kan toch geen toeval zijn dat mijn allereerste Severinus-column het leven zag in De Kronkel, het toenmalige informatieblad?!)
Toch was ook, zeker bij de Severinusstichting, een tendens bespeurbaar die moeizaam, doch onmiskenbaar koerste richting kwaliteitsverbetering van zowel de zorg als het personeelsbeleid. Niet in het minst gestut door onze generatie in het algemeen en onze roemruchte lesgroep in het bijzonder. Waarvan akte.

We schrijven 1976 en ik werd geroepen tot het edele ambt van assistent-paviljoenshoofd. Er was echter één obstakel: er was in dat paviljoen reeds iemand met die statuur. Het paviljoenshoofd was  naar verwachting voor lange tijd, zo niet voorgoed, uitgeschakeld als gevolg van een ernstig ongeluk. Men had niet zo’n vertrouwen in de assistent(e) en het plan was dat ik me dusdanig zou manifesteren en profileren opdat men haar niet eindverantwoordelijk hoefde te maken. Dit was mijn eerste concrete confrontatie met wat ik alras ben gaan herkennen en benoemen als de Severinusmethode. Eigenlijk moeten – en kunnen we ook – die twijfelachtige eer aan een naam koppelen, maar dat zal ik waar mogelijk vermijden. De goede, ingevoerde lezer en verstaander heeft geen naam nodig, omdat deze namelijk met mijn ganse Severinusleven is verbonden. Voor buitenstaanders mag het geen naam hebben.

De Severinusmethode is kortgezegd te kenschetsen als de methode waarbij de verantwoordelijke(n) geen standpunt inneemt/innemen, maar het aan de waan en praktijk van alledag overlaat/laten hoe de hazen gaan lopen. Men heeft wel degelijk een mening, zeg maar gerust een dubbele agenda; deze wordt echter voor zich gehouden om er niet op afgerekend te hoeven en kunnen worden. Hierdoor kan men zich te allen tijde verschuilen achter de loop der dingen. Een verkapte verdeel-en-heersmethode die zeker niet slechts is voorbehouden aan Severinus, maar in menige gezondheids-, welzijns- en politieke organisatie wordt toegepast. Om niet te zeggen in het gehele polderlandschap.

Onze thans weer eens in opspraak zijnde vriend Theo Maassen heeft ooit een hele voorstelling genoemd naar en gewijd aan dit onafgesproken en – misschien wel juist wel daarom – onuitroeibare systeem. Eigenlijk is er zelden sprake van een bedacht en goed overdacht systeem, beleid of visie, maar is het nagenoeg altijd  ’slechts’ een uitvloeisel en verankering van een min en vooral meer toevallig ontstane werkcultuur. En als er iets hardnekkig en onwrikbaar is, dan is het wel de werkcultuur. Een zenuw die bij fusies en opsplitsingen meedogenloos wordt blootgelegd.

Mijn ego was evenwel dermate gestreeld dat ik de post met enige gretigheid aanvaardde. Echter, het feit dat de co-assistente bewust onwetend werd gehouden, zat me niet lekker. Te meer omdat ik, in weerwil van haar overwegend impopulaire imago, wel op haar was gesteld. Dus maakte ik haar deelgenoot van het vooropgezette, snode plan van het management, dat conform lovely Rita eigenlijk een eenmansfractie was. De situatie werd evenwel nóg complexer, omdat de verloren gewaande zoon, het paviljoenshoofd, verrassend snel als het ware uit het graf opstond. En zijn plek en rechten opeiste, niet in het minst vanwege zijn veronderstelling, lees argwaan, dat men hem wenste te demoveren. De gevolgen waren evenzo komisch als schrijnend. Aan de hand van één voorbeeldje zal ik u proberen te schetsen hoe potsierlijk dit bij tijd en wijle uitpakte.

Stel u voor een schuchtere, Limburgse leerlinge die ik hier gemakshalve, en omdat ik dit een mooie naam vind, Marleen zal noemen. Zij mocht zich verheugen in mijn directe, reeds eerder afgesproken, deskundige (praktijk)begeleiding. Er was al een evaluatie/beoordelingsgesprek gepland, maar intussen zat dus het paviljoenshoofd weer op zijn post  Hij vond dat hij, uit hoofde van zijn functie, bij het gesprek acte de présence moest geven. De co-assistente, die zich eigenlijk hoofdverantwoordelijk achtte omdat zij het begeleidingsproces had gecoördineerd, stond erop ook aanwezig te zijn. En ik moest er natuurlijk bij zijn, daar ik de leerlinge in de praktijk had begeleid. Ik zie die arme Marleen nóg zitten, geoppositioneerd door de driekoppige Inquisitie.

Het moge duidelijk zijn dat dit een onhoudbare, onverkwikkelijke situatie was. Of hieraan een spoedig einde is gekomen, kunt u volgende week lezen. Zelfde plek, zelfde golflengte.

 

REVISIE POST

Excuses geachte lezers, wegens erbarmelijke weersomstandigheden is de met veel bravoure aangekondigde post tijdelijk in de revisie. Wij hopen dat de herstelwerkzaamheden voorspoedig zullen verlopen. De verwachting is dat zeker in de namiddag de problemen zijn opgelost.
Een desondanks prettige zondag toegewenst,

Mazuro

VOORNEMEN EN NAGEVEN

Mensen nemen zich vanalles voor en meestal in positieve zin. Dát moet je hen dan toch weer nageven. Wel is het zo dat het nagenoeg immer gaat over stoppen of minderen. Zelden hoor je dat iemand zich min of meer voorneemt ergens mee te gaan beginnen of dat men het het getal danwel de mate wil gaan opschroeven. ”Ik ga dit jaar eens beginnen met roken en wat vaker vreemd”, is toch een schaars voorkomend voornemen. Althans in hardop uitgesproken zin. Want die Gedanken sind frei, oder?

En dat is meteen het probleem van voornemens. Dat het vrijwel altijd gaat om verslavend, dwangmatig of onmatig gedrag. Gedrag waarmee je wel praktisch, maar niet of nauwelijks mentaal/geestelijk kunt stoppen.  Anders gezegd: je steekt er geen meer op, maar de rook kringelt voortdurend in je neus en tussen je oren. Je stopt in woord en daad met het overspelen van en met welk lichaamsdeel dan ook, maar zet in gedachten aldoor je relatie, je terughoudendheid en je leesbaarheid op het spel. Je eet en drinkt niet meer onmatig, terwijl er geen dag voorbijgaat waarop je niet snakt naar een snack en een borrel bij een goed gesprek. Het zijn zaken die je je elk jaar weer opnieuw moet voornemen ermee te stoppen. Er zijn mensen, niet zelden van het masculiene soort, die hun partner en zichzelf ervan trachten te overtuigen dat ze, door zich zo af en toe aan hun lust of verslaving te bezondigen (zich er aan over te geven..), dat ze er daardoor feitelijk minder vaak mee bezig  zijn. En zich van de weeromstuit dus ook minder overspelig, verslaafd of dwangmatig wanen en voordoen. Wie hierin iets autobiografisch meent te ontdekken, doet dat geheel voor eigen rekening. Maar je moet de dragers van dit gedachtengoed toch nageven, dat er wel iets creatiefs schuilt in dit voornemen. Al zullen vrouwen die bij de dokter komen, hier wellicht toch een andere draai aan geven…

De aanleiding van al deze overwegingen is gelegen in het voornemen van een lieve hartsvriendin van vrouwlief en toch ook een beetje van mij. Ze is in elk geval een zelfverklaarde, fervente fan en reflectante van en op mijn geschriften. Haar vaste voornemen voor dit jaar is om minder te gaan werken teneinde meer leuke dingen te kunnen gaan doen. Dan moeten we niet denken aan het obligate hobbyisme waarmee mensen schermen die min of meer stoppen met werken. Nee, ze wil de tijd en (ook in letterlijke zin) de ruimte creëren om haar vaardigheden en sociale ambities te kunnen ontwikkelen en te exploiteren.

Kijk, dat spreekt mij nou aan! In feite heb ik in mijn eigen werksituatie hetzelfde principe toegepast. Ook ik heb  de tijd en de ruimte qua caseload, taken en werkzaamheden – zij het na moeizame onderhandelingen -  dusdanig aangepast dat ik meer aan mijn kwaliteiten toekom en minder last heb van werkdruk als gevolg van niet-haalbare eisen en verwachtingen. Door minder te gaan werken én door een aantal taken zowel in getal als zwaarte te verminderen, ben ik juist meer gaan doen. En dus in objectieve zin harder gaan werken, maar dan wel met veel minder stress en werkdruk. In mijn geval heeft me dat wel geld gekost, maar dát is de afweging, lees het voornemen, welke  ík heb gemaakt ten faveure van mijn welzijn. En dát mag ik mezelf toch weer nageven.

Het mooie van het voornemen van onze vriendin is, dat in haar geval het minder werken helemaal niet hoeft te leiden tot minder inkomen. Ze kan en wil haar vaardigheden en accommodatie te gelde maken, waardoor het spreekwoordelijke mes zijn bilaterale werk kan doen. Ze doet dingen die ze leuk vindt en het levert ook nog iets meer op dan voldoening. Een voortreffelijk voornemen, dát moeten we haar toch nageven. Wij hopen van harte dat dit voornemen niet de gebruikelijke, vroege dood sterft die het doorsnee-exemplaar van deze onversneden alibigedachte en gewetensusser ten deel valt. Maar daar is vriendin niet het type voor, ook dát moeten we haar nageven.

Nu ik nog slechts 48 werkdagen, minus vakantiedagen en feestdagencompensatie heb te gaan , moet ook ik mijn voornemen, hoe mijn tijd en ruimte in te delen, gaan concretiseren. Ook ik zal me proberen verre te houden van de illusie dat hobby’s een positieve werksituatie kunnen compenseren.  En met het gemis van collega’s – hoe lastig, ergerlijk en stressbevorderend sommigen ook kunnen zijn – zal ik moeten leren leven. Want dat gemis zal onmiskenbaar en onomkeerbaar zijn. Één ding is zeker: ik sluit een akkoord met het geschreven woord. Want wie schrijft, die blijft…trouw aan zijn gegeven woord, opgewekt en blij. Dit laatste analoog aan de wet van Jong Nederland, een (Brabantse?) variant op de scouting en de padvinderij.  Hadden wij destijds conform de scouting Maxima als beschermvrouwe gehad, dan ware ik als saluerend, fier rechtopstaand lid nu nóg steeds Jong Nederlander.

Een Jong Nederlander is een goed kameraad, bereid om anderen te helpen, sportief bij alles wat hij doet, trouw aan zijn gegeven woord, opgewekt en blij.

Voorwaar een voorbeeldig voornemen. Dát moeten we deze licht-militaristische, semi-nationalistische jeugdbeweging dan toch ook weer nageven.

RECTIFICATIE

 
De scherpslijpend lezende critici in mijn eigen familie ten spijt, komt zwager Frans de eer toe te hebben opgemerkt dat er een storende naamsverwisseling stond in Ter Memorie En Meerdere Glorie deel II: de scheelogende zoon van de buren met de eerste tv, die vlakbij en naast het toestel placht te zitten, was niet Theo maar Harrie van Dooren. Met excuses aan Harrie en de familie Van Dooren en met dank aan zwager Frans. Waarvan akte.

Mazuro

EEN VRIEND EN OOK DE TEL KWIJT

Lieve lezers en lezeressen,

Niet alleen dank voor de mooie reacties - waaronder ik ook schaar dewelke afkomstig waren van degenen die lieten weten er geen snars van te hebben begrepen - maar tevens voor de discretie van hen die mij bewust niet hebben gewezen op mijn onterechte aanhef  ’sonnet’. Ik kwam letterlijk woorden tekort, iets wat inderdaad een zeldzaamheid is…, voor een echt sonnet. Ik werd daar uiteraard wel op gecorrigeerd door wie anders dan de schoolmeester in onze familie, al gebiedt de waarheid me te melden dat ook  hij daarbij enige discretie aan de dag legde. Waarvan akte.

Voor een onvervalst sonnet, ontbreekt het nog aan één couplet
Met een afwijkend refrein, het moeten veertien regels zijn
Dus blijf voorlopig aan de lijn, ook al wordt het geen festijn
Zodra me niets daarin belet, wordt het in mekaar gezet

 

EEN BEST VRIENDELIJK SONNET

Ik heb een beste vriend verloren
Maar wie is een beste vriend?
Wie heeft dat predikaat verdiend?
Wie is dat vriendelijk lot beschoren?

Vrienden heb je voor het leven
Klinkt het al te ambitieus
Pretentieus en modieus
Vluchtig, ijdel is het streven

Het is met vriend als met respect
Te vaak bestempeld en misbruikt
En onverdienstelijk verstrekt

Mijn gebruik is slechts besmuikt
De diagnose schielijk toegedekt
Daar rekenschap je mogelijk fnuikt

 
Ondanks, of mischien wel juist dankzij de amateurische opleidingsopzet slaagde ik erin om mijn Z-diploma te halen. Nu was ik dus dubbelgediplomeerd. Dubbel gehandicapt door kennis van zowel zwakzinnigheid als van geestesziekten, om nog even met besmuikt genoegen bij het jargon te blijven dat toentertijd werd gebezigd om van die kennis te getuigen. In de huidige, modermistisch eufemistige tijd (zolang er reden toe is, blijf ik deze aanduidingen gebruiken) spreekt men van mensen met een intellectuele uitdaging. Ik zal meteen toegeven dat zwakzinnig een ongelukkig gekozen term is, om over idioot en diepgestoord nog maar te zwijgen. Niet eens zó lang geleden zocht men het nog in de beperking en nu is het, zoals nagenoeg alles, een uitdaging. Ik ben tijdens mijn lange loopbaan door deze mensen vaak tot het uiterste gedaagd en de diagnose ‘uitdagend gedrag’ is te pas en nog veel vaker te onpas gesteld ingeval van handelingsverlegenheid van gedragswetenschappers, -therapeuten en begeleiders. Maar welke intellectueel zwak uitgedaagde geest komt in hemelsnaam tot deze onzinnige benaming??!!

Edoch, de wereld van de geestelijke gezondheidszorg lag aan mijn, al beduidend minder balverliefde voeten; niets stond een glansrijke carrière in de weg. Omdat zulks nogal eens tegen me werd gezegd of hierop werd gezinspeeld, kan het best zijn dat ik daar zelf ook in heb geloofd. Dat kan nooit lang geweest zijn, maar toch. Ik paste toen nog naadloos in het promotieprofiel. Diploma’s, reeds enige ervaring, schijnbaar zelfverzekerd en met het (in)zicht van éénoog in het land der blinden. Maar meest van al: ik was een man. En al helemaal omdat ik in dienst was geweest, want daar word je…
Nu heb ik Het Vaderlandse Leger van destijds al eens oneerbiedig omschreven als Neerlands grootste zwakzinnigeninstituut. Ware ik elders in de wieg gelegd voor wat dan ook, behalve militair, ik zou dezelfde mening zijn toegedaan. De oneerbiedigheid is tegenover de zwakzinnige burger, die grosso modo hoe dan ook vredelievender is dan Jan Soldaat

Je kunt dus alles van me zeggen, maar niet dat ik geen geduchtgedegen vooropleiding heb gehad. In dier voege was het nog niet zo’n gekke aanname dat ik mijn strepen en balken zou verdienen in dienst van de intellectueel en geestelijk minder uitgedaagde medemens. 
Alras werd ik geroepen tot een hoger ambt, dat in willekeurige volgorde als groepseerste, groepsoudste en groepshoofd werd betiteld. En dan zie ik waarschijnlijk nóg een paar eretitels over het hoofd. Want dat was het wel, een erebaantje. Iets om trots op te zijn, een geuzennaam, maar zonder geldelijke beloning. Daar deed je het toch niet voor? Het was een roeping en wie over salaris, laat staan opslag begon, had z’n roeping gemist. Nee, sterker nog! Was een roepende in de woestijn!

Voorbeeldje. In het CAO stond een passage over een extra toeslag, in het bezit zijnde van meerdere verpleegdiploma’s. Dit was echter niet dusdanig geformuleerd dat het slechts voor één uitleg vatbaar was. De strekking was evenwel overduidelijk. De toenmalige, omhooggevallen verantwoordelijke man, die beknibbelen zowel hoog in het vaandel als in zijn naam had staan, wilde er echter niet aan. Over ’s mans incompetentie én over de zwaar onderschatte en kwalitatief onderbezette rol die de afdeling Personeelszaken structureel en sectorbreed destijds en tot op de dag van vandaag nog steeds vervult, kunnen hele boeken vol worden geschreven. Dát zou voor de man in kwestie veel te veel eer zijn, maar die kwalijke rol zal nog menigmaal ter sprake komen in deze kolommen. Laat ik hier volstaan met een stelling. De afdeling wordt veelal aangeduid als P & O. Personeel & Organisatie. Bijna overal is dat een kleine p en een grote O. En dan ook nog eens een O van likmevestje!

Zo, dat is er uit en geloof me: het lucht op! Maar wist ik toen veel. Ik was bezig de carrièreladder te bestijgen en ook al was het geen vetpot, iets te vertellen hebben en delegeren paste me als een Quick-voetbalschoen. Let wel, iets te vertellen hebben, betekende en betekent voor mij nog steeds niet anderen willen vertellen wat ze moeten doen. Al geef ik grif toe dat ik ook dáár niet vies van ben. Toch gaat het me meer om de gelegenheid en de status te bezitten om iets te vertellen waarnaar in elk geval geluisterd en waarmee rekening gehouden wordt. En delegeren kan ik als de beste, vooral zaken en taken die ik  niet beheers en waaraan ik de schurft heb. Dat valt bijna altijd samen en bovendien zijn het er vele. Het gezegde het nutige met het aangename verenigen, is me dan ook op het lijf geschreven.

Als eerste werd ik dus, als oudste, hoofd van de groep. In deze niet-officiële functie mocht je op paviljoensniveau meepraten met het kader. Dat bestond uit het paviljoenshoofd en het assistent-paviljoenshoofd. Er was ook een pedagogisch  medewerk(meestal)ster. Ofschoon dat een staffunctie was, vervulde deze in de praktijk vaak een min of meer leidinggevende rol op inhoudelijk begeleidend gebied. Hierdoor vormde het paviljoenskader toch vaak een driemensschap. Het feit dat ze kantoorsgewijs vrijwel op elkaars lip zaten, zal hieraan niet vreemd zijn geweest. Een dergelijke setting was mijn volgende tree op en in de leer naar de uiterst précaire en impopulaire positie van het middenkader.

Oudere Berichten »