Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘uniformiteit’

We gaan richting het millennium met een Biezenkuilen 8/69 dat langzaam maar zeker wordt ingekapseld door de Severinus-structuur. De uitzonderingspositie en het Pietje Bell-imago geraken steeds meer uit het zicht. Ook in organisatorische en uniformele zin worden we meer en meer in een keurslijf gedwongen. Maar vooralsnog zijn we – en dan met name mijn persoontje – nog wel  gekoppeld aan de sector met de direct leidinggevende waarmee het klikte. Maar voor sectoroverlegsituaties moest ik me bijvoorbeeld steeds vervoegen op De Berkt, ofschoon dit qua geografische ligging niet voor de hand lag.

Die relatieve inkapseling is zeker niet onverdeeld negatief te duiden. Mijn gewaardeerde optreden in de werkgroep ‘organisatieomslag’ bezorgde mij een verstevigde positie in het sectoroverleg en omgekeerd heeft dit overleg mij – en dus ook de Biezenkuilen – wel degelijk het nodige opgeleverd. Er heerste een constructief, bevlogen werk- en overleglimaat waarbij een genoeglijk samenzijn niet uit het oog werd verloren. Mijn positie als relatieve buitenstaander en mijn dienovereenkomstige inbreng werden hier op waarde geschat. De rol van het sectorhoofd was in deze natuurlijk van wezenlijk belang.

De groepen werden woonhuizen, de groepshoofden promoveerden tot meer zelfstandige woonhuiscoördinatoren en ook de functie van verpleeg/begeleidkundige kreeg meer cachet en inhoud in de vorm van zorgcoördinator. In deze rol had je de zorgcoördinatie over een of meerdere bewoners/cliënten en was je de spil in het cliëntsysteem, dat verder nog bestond uit de cliënt zelf natuurlijk en diens wettelijke vertegenwoordiger. Overigens zal ik het in het vervolg alleen over ‘de bewoner’ hebben, omdat dit beter aansluit bij de zo normaal mogelijke woonsituatie.

Van elke bewoner werd ook een levensverhaal geschreven, waaruit en waaraan dan de zorgbehoefte respectievelijk werd gedestilleerd en gekoppeld. Op zich was dit een evenzeer respectvolle als doelmatige zorgvorm, maar in de praktijk bleek toch vaak dat menige zorgcoördinator moeite had met het zowel inhoudelijk als praktisch vormgeven ervan. Zo blijkt telkens weer opnieuw dat de meeste werkenden in de zorg en verpleging worstelen met het opstellen van zorg- of verpleegplannen en het implementeren ervan.

Het is van alle tijden en geledingen dat daar tegenaan wordt gehikt. En dit echec heeft, net zoals het succes, vele vaders. Deels is het een kwaliteits- en opleidingsprobleem. Goed schrijven en formuleren is een kunst op zich en is kennelijk weinigen gegeven. En dat beperkt zich zeker niet slechts tot de lager opgeleiden. Ook de taalvaardigheid van menig – durft u het aan?‘hoog’ opgeleide is niet om over naar huis of waarnaar dan ook te schrijven.

Dat is uiterst merkwaardig, omdat rapporteren een essentieel onderdeel is van de zorgverlening. Op basis van rapportages worden verstrekkende conclusies getrokken, cruciale besluiten genomen en mensen dan wel instanties gediagnosticeerd, gesubsidieerd of gediskwalificeerd. Het is dan ook zowel een raadsel als een schande dat hier zo weinig aandacht aan wordt besteed. Toch is hier meer aan de hand.

In alle bescheidenheid, enige taalvaardigheid kan mij niet worden ontzegd. Desondanks heb ook ik regelmatig aangehikt tegen het maken van zorg/werkplannen en alles wat hieruit voortvloeide. In mijn geval – en ook bij vele anderen, weet ik uit ervaring – kwam dat vooral door de vaak cynische omgang van de organisatie met deze methodiek. De plannen en protocollen waren slechts een middel om de productie op te krikken en gefinancierd/gesubsidieerd te krijgen. Of om de inspectie gerust te stellen. Was dit doel eenmaal bereikt, dan waren de inhoud en verwezenlijking van nul en generlei waarde.

Daar kwam bij dat de methodiek, de vorm op zich, vaak de inhoud, de behoefte en de noodzaak oversteeg. Anders benaderd: de kernpunten waren normalisatie en integratie, maar dit werd dan in een veel te duur jasje gestoken, met een veel te elitair sausje overgoten, waardoor het de lading niet meer, of juist overdreven, dekte. De onwil om te differentiëren, dan wel de drang om te uniformeren, was hier mede debet aan. Ter verduidelijking: ofschoon de verstandelijk beperkte medemens vaak over één kam wordt geschoren, zijn er in vele soorten en toonaarden. Van nauwelijks beperkt tot zwaar gehandicapt, met alle mogelijke variaties daartussenin. Het zijn net mensen. Toch wordt veelal een en dezelfde zorgplanmethodiek op eenieder toegepast.

Al deze elementen kweken weerzin. Frustreren, omdat iets moet terwijl  je wordt overvraagd of waar je het nut niet van inziet. Of waarvan je weet dat men er uiteindelijk toch niks mee doet, in elk geval nalaat te stimuleren, te motiveren en te controleren dat het ook in de praktijk wordt gebracht. Dit leidt tot nihilisme en fatalisme en dat is de doodsteek voor (het doelmatig gebruik van zorgplanmethodiek in) de zorg- en hulpverlening.

Niettemin was men, zeker in de sector waartoe wij behoorden, enthousiast en vol goede moed in de weer om de zorg te moderniseren, normaliseren en individualiseren. Ik kijk dan ook alleszins met genoegen terug op deze episode in mijn Severinus-bestaan. De post-organisatieomslagperiode, zogezegd. Helaas werd steeds meer duidelijk en onvermijdelijk dat we zouden moeten gaan verkassen naar de sector die qua locatie en organisatie meer comme il faut was. En uniformiteit is nu eenmaal dé pijler waarop een instelling denkt te moeten berusten. Ofwel: hoed u voor het precedent, want dat geeft alleen maar gelazer in de tent!

Ps. Laat u vooral niet na om op de legendarische foto van het zeer gevarieerde, heterogene voetbalteam te klikken voor een scherpere versie. Het verhaal van en rondom deze unieke afbeelding vindt u hieronder. Nog steeds zijn niet alle personen geïdentificeerd. Daarom een oproep aan mijn inmiddels ongetwijfeld talloze lezers bij Severinus om iedereen op deze foto een naam te geven.

Read Full Post »

Of Honneurs de eer des huizes heeft opgehouden, is geheel ter beoordeling des lezers, maar hij heeft mij – de vele verwijzingen in mijn richting ten spijt – hoe dan ook geen eer bewezen. Ik had namelijk lekker vrijblijvend willen zeiken over eurologen, eurocommissaris Ödulfus en over eurotiek en europezen als grensoverschrijdende betaalde liefde. Weg gras voor de voeten, maar waar anders dan over geld moet de man nu eenmaal zijn head breken?

Nu was ik helemaal niet van plan om me waar dan ook zorgen over te maken. Het is vakantietijd, tijd van de komkommers en geen tijd voor kommer en kwel. Maar toch, het zit in mijn hoofd en intimi weten dan dat het er bij mij op een of andere manier ooit uit moet komen. Het plan alleen al baart me zorgen, want er is een gerede kans dat een aantal Severinussen not amused zal zijn met deze ontboezeming. Nu ben ik dat wel een beetje gewend en mocht het een kwestie zijn van bad timing, sorry dan. Had Honneurs maar van die euro af moeten blijven.

Uitgerekend hartje zomer gaat Primeurs zich op glad ijs begeven, want beste mensen: ik maak me zorgen over het plan. Over het plan in de zorg of nog beter gezegd: over de kwaliteit van de zorg in het plan. Eigenlijk was ik al veel eerder van plan om deze zorg aan de openbaarheid prijs te geven – als openbaarmaking uit de eerste hand dus een ware primeur, Ad – maar ik vond ook dat ik de zorgplanmethodiek een eerlijke kans en in elk geval het voordeel van de twijfel moest gunnen. Alleen al dat woord, zorgplanmethodiek… Een teveel aan kliniek, een te weinig aan muziek.

Ach, misschien maakt het Severinusbreed geen snars uit wat ik ervan vind en zal er wellicht geen mens van wakker liggen, maar toch. Volgens mij is er in vele opzichten en op vele werkplekken een wat scheve verhouding tussen de energie en tijd die wordt besteed aan het zorgplan en alles wat dat met zich meebrengt enerzijds, èn de omgang, begeleiding, ondersteuning en waar nodig zorg die de bewoner, als zijnde cliënt, rechtstreeks mag ontvangen anderzijds. Zo, die zin is eruit! En hopelijk bent u er nog.

Vooropgesteld: het plan om de zorg meer zorgvuldig te coördineren, te individualiseren en vooral om meer perspectief- en toekomstgericht te anticiperen, valt zonder meer hooglijk te waarderen. Het is een vorm van professionaliseren, waarvan de bewoner, de klant, alleen maar van zou moeten profiteren. Zo luidt tenminste het devies van al degenen die zich sterk hebben gemaakt voor deze zorgplanmethodiek. Tot zover het eren.

Want hoe gaat het in de weerbarstige praktijk van alledag? Zeker is dat vele zorgcoördinatoren wederkerig worstelen met de administratieve rompslomp en overige verplichtingen die aan deze methodiek vastzitten. De Heilige Drieëenheid – bewoner, wettelijke vertegenwoordiger, zorgcoördinator – is inderdaad een goede garantie voor persoonsgerichte en vraaggestuurde zorg, maar zou volgens mij toch meer gebaat zijn bij een minder complexe, minder klinische en meer genormaliseerde vormgeving. Waarom Severinusbreed methodisch verplegen – een term die haaks staat op normaliseren – terwijl er in vele woonhuizen nauwelijks sprake is van verplegen, maar veel meer van ondersteunen en begeleiden? Waarom op juist zo’n essentieel, zelfs principieel punt niet gehandeld indachtig het kernpunt van de Severinusvisie: normaal waar het normaal kan, bijzonder waar het bijzonder moet?

De zorgplanadepten zullen erop wijzen dat deze differentiatie in de methodiek is vervat, maar ik ben zo vrij om te stellen dat het veel, zo niet alles van doen heeft met hang naar beheersbaarheid uniformiteit en dus vrees voor pluriformiteit en recreativiteit. – Dit laatste woord is een persoonlijke uitvinding(rijkheid) in mijn vrije tijd, zoals trouwens dit hele stukkie, dus is al een vorm van recreativiteit op zich –

Het is de discrepantie tussen professionaliseren en normaliseren, de keuze tussen bewoner of cliënt. Het dilemma van ieder voor zich en wie en tot hoever voor ons allen. Inderdaad, we moeten ons vak beschermen. We worden beschouwd en betaald (nou ja) als verpleegkundigen, we moeten kwaliteit leveren en zaken vastleggen voor het nageslacht. Maar mag het misschien ietsje minder? Wie legt er thuis dikke dossiers aan van z’n kinderen? En wie haalt het kind van ’n jaar of zes erbij als het wordt besproken in de echtelijke sponde? Natuurlijk, ik mag onze zorg niet gelijkschakelen met een normale gezinssituatie, maar normaliseren betekent wel dat we er zo dicht mogelijk bij moeten blijven. En om de zaak wat te verluchtigen: ik ken nog wel een mens met het talent om de bewonersbespreking te effectueren vanuit het opklapbed…

Niet de vorm, maar de inhoud, de betrokkenheid, een goed ontwikkeld inlevingsvermogen, de kunst om goed te signaleren, te interpreteren en te anticiperen: dàt zijn de pijlers waarop onze zorg, begeleiding of ondersteuning moeten rusten. Dit kan dan worden uitgestippeld in een doordacht en overzichtelijk plan, maar wel in die volgorde! Ik bedoel maar, een prachtige zorgplanmethodiek biedt op zich geen enkele garantie voor kwalitatieve zorg en ik besef: dit is een wijdopen deur. Toch lijkt mij hier een waarschuwend woord op zijn plaats. Niet zo heel lang geleden werd in de volksmond nog gesproken van het zorgenkind; moge Orem verhoeden dat we binnenkort moeten spreken van het zorgenplan. Wordt vervolgd?

Read Full Post »

Terecht wordt mij soms verweten dat ik over nagenoeg alles wel iets te zeggen heb. Waarvan akte, al is het maar om aan te geven dat ik mezelf in deze geenszins buitensluit. Echter, enig recht van spreken over buitenhuizen kan mij niet worden ontzegd, sterker nog, ik weet er alles van. Dan ben je bij mij aan het juiste adres, dit past precies in mijn straatje, hier ben ik kind aan huis. De een springt te Hoog, de ander te Laag. Ginds gaat het Bergaf, daar is het Eind in zicht. Elders graaft men kuilen voor een ander en pakt dan de Biezen, om zich uiteindelijk te presenteren als de Nieuwe Kerk.

Elke huidige, zichzelf respecterende Z-instelling heeft haar buitenhuis-project. De meer trendgevoelige inrichtingen beheren socio-woningen. Met welke instelling en in welke richting wordt dit nu (be)geleid? Welke argumenten brengt men in stelling om te onderbouwen dat buitenhuizen onontbeerlijk zijn als woonvorm voor de naar relatieve zelfstandigheid tende­rende geestelijk gehandicapte? Of wellicht zelfs voor de met minder moge­lijkheden gezegende bewoner. Ter motivering hiervan worden de fraaiste, vindingrijkste, maar tegelijkertijd uiterst vage of nietszeggende verklaringen en doelstellingen in elkaar gevlochten. Parmantig poserend bij het nieuw ver­worven buitenstulpje laten hoogwaardigheidsbekleders zich vereeuwigen en inter­viewen in de regionale krantenkolommen en reppen van het vooruitstrevende beleid en karakter hunner instelling. Aldus wordt naar de buitenwereld toe niets nagelaten om te koketteren met – en ik citeer nu – “het zelfstandige en democratische buitenhuis”.

Dit gezegd zijnde door één onzer topfunctionarissen tegen de stand-in van minister Winsemius tijdens hun bezoek aan de Biezenkuilen in het kader van de geïsoleerde festiviteiten. Het op de valreep niet verschijnen van Zijne Excellentie vormde eens te meer het bewijs van het feit dat je uiterst voor­zichtig moet zijn met het prematuur de sier proberen te maken in de publici­teit. Of de Miep Kraak van dit kabinet nu verhinderd was door marathonver­plichtingen of de opname van RUR diende luister bij te zetten, is nog steeds niet geheel duidelijk. Het is overduidelijk dat hij wel iets beters had te doen op dat moment. Maar we dwalen af.

Al deze zeer menselijke gedragingen zijn op zich helemaal niet erg. Ze vormen ook geen enkele bedreiging voor de bestaansgeldigheid van het buiten­huis. Mits het niet bij dit uiterlijk vertoon en deze koketterie blijft. Of nog erger, buitenshuis de democratie en kleinschaligheid met de mond wordt beleden en als stokpaard wordt bereden, terwijl binnenshuis alsmaar dieper in het vlees wordt gesneden. Wie naar buiten toe gewaagt van “zelfstandig en democratisch buitenhuis”, moet niet intern diezelfde zelfstandigheid en democratie weerstreven door alle materiële bobbeltjes trachten glad te strijken. Bobbeltjes die een voorspelbaar en onontkoombaar effect zijn van deze, door hemzelf zo geprezen selfsupporting.

In die trant dacht ik tenminste nog niet zo lang geleden. Nu weet ik dat ik het op zijn plaats en in zijn positie hoogstwaarschijnlijk hetzelfde zou doen. Een centenman past en let nu eenmaal per definitie op de kleintjes en schrijft uniformiteit hoog in het vaandel. Een manager van een groot bedrijf wil rust in de tent. Wil tevreden lachende, fris gewassen, gekapte en geklede cliënten en goed onderhouden huisjes en tuintjes. Is zelfs bereid daarvoor een fiks bedrag te betalen en te reserveren. Zo hoort het ook, dat is zijn werk en daar wordt hij voor betaald.

Ik bedoel maar. Je mag en kunt niet verwachten van het management dat het onrust en verwaarlozing predikt. Want dat is wat het management impliciet verwacht en vreest als er voorstellen worden gedaan om nieuwe, riskante, onbekende wegen in te slaan. In dit geval mogen de woonerfkaders zich ook met ‘management’ aangesproken voelen, hetgeen menigeen onder hen intens zal bevredigen. En eigenlijk, nu we toch aan het projecteren zijn met vakantiekiekjes en dia’s, elke leidinggevende op welk niveau dan ook kent de primaire, afwerende, verdedigende reactie als er iets nieuws wordt voorgesteld. We willen allemaal rust en orde, regelmaat en overzicht. Het is enkel zaak om enerzijds deze rust niet kost wat kost te willen hand­haven en anderzijds je niet te laten afschrikken door deze, meer instinctief behoudzuchtige dan zinnige reactie.

Laat ik het iets anders benaderen. Het is niet aan het management om gewaagde voorstellen te lanceren. Dit moet niet komen van hogerhand en van buitenaf, maar opborrelen vanuit de basis, van binnenuit dus. Iemand die een idee van een ander moet uitvoeren, is per definitie niet gemotiveerd en gedoemd te mislukken. Dat er nu zo weinig creatief wordt gedacht, is dus niet de schuld van het management, want daar­voor is het niet ingehuurd. En als iemand goed weet en doet waarvoor hij is ingehuurd dan is het wel de manager.

Wat zegt u? En de overvolle ideeënbus dan? Oké, u heeft gelijk. Ideeën te over. Doodzonde eigenlijk dat de namen van de verlichte indieners niet meer worden vermeld. Maar eerlijk gezegd zijn het welhaast uitsluitend materiële ideeën, waarvan de idee om het behandelcentrum een meer eigentijdse naam te geven illustratief is voor mijn betoog, om van het zonnebankvoorstel nog maar te zwijgen. Het zijn uiterlijke, secundaire, dus niet wezenlijk belangrijke zaken, energie opslokkend een vér betere zaak waardig. Natuurlijk is de ideeënbus ook min of meer bestemd en ontworpen voor dat soort ideeën, maar een fictieve ideeënbus binnen om het even welke woonsituatie dan ook, zou mijns inziens de vergelijking met het bestaande exemplaar glansrijk (nou ja) doorstaan.

Bouw een paviljoen, noem de gang een straat, de zwarte en witte strepen een zebrapad, geef de groepen een huisnummer en doop het geheel tot woonerf en je hebt, ondanks al deze goedbedoelde pogingen, nog steeds een gestructureerd, hiërarchisch, star en immobiel geheel. Nu hoef ik dit een intelligent, weldenkend persoon natuurlijk niet te ver­tellen, maar ik zou niet graag de functie waarderen van al degenen die of zich toch blind staren op deze schijndemocratische verpakking of tevreden achter­over leunen na deze knieval aan modermistische vormgeving.

Het oogt allemaal fraai, het klinkt allemaal welluidend, maar het verandert niets aan de inhoud. Het leidt zelfs de aandacht af van de kern en versluiert dat wat wezenlijk van belang is: het brengen van de bewoner tot die mate van zelfstandigheid welke hij of zij in zich heeft. Let wel! Dus niet de zelfstandigheid die de begeleidende persoon zelf nodig of belangrijk vindt.

Mocht u denken dat in mijn ogen het managementteam dit fenomeen als zodanig niet onderkent, vergeet het maar. Waar het hen ook aan mag ontbreken, in geen geval aan intellect, inzicht en tactisch vernuft. Ik kan het niet laten om ze telkens weer te vergelijken met ons huidige no nonsense-kabinet dat zich ook zo gaarne profileert als team. Moet u daar ook zo om lachen? Een verzame­ling ‘machtige’ personen met tegenstrijdige belangen en achterbannen, als vriendenploeg naar buiten tredend, pratgaand op de voortreffelijke, onderlinge teamgeest. Ware ik niet zo lui en laf dan zou ik maar wat graag een bijeen­komst afluisteren of notulen ontvreemden. U mag voor u zelf uitmaken wie zich dan zou ontpoppen als de Gijs van Aardenne van het Severinuskabinet. En dan niet enkel letten op uiterlijke gelijkenis alstublieft.

Maar gelijk hebben ze. Waar topmanagers gezamenlijk streven naar een enkel doel (het duidelijk en strak voorschrijven van de Severinus-gedragsregels) daar mogen zij zich een team noemen. En laat ik nu door hebben waarom zij zich zo rigide opstellen! Niet om­dat ze potentaten, behoudend of bekrompen zouden zijn. Welneen. Het is alleen maar om jullie – latente persoonlijkheden, ontluikende creatieve geesten en onderhuids van energie bruisende jongelingen – te prikkelen, uit te dagen tot doorbreking van het starre patroon. Snappen jullie dan niet dat het slechts hun bedoeling is om jullie uit de overgestructureerde en -geprogrammeerde tent te lokken?! Beseffen jullie dan niet dat men terecht concludeert dat wie zich zo gemakkelijk laat afbluffen en intimi­deren, of zich verliest in rancune of persoonlijke frustraties, sowieso te weinig in huis heeft om een kar met verse mest te trekken?!

Laten we een niet-willekeurig voorbeeld nemen. Woongroepen van deze stichting mogen niet op vakantie in het buitenland. Redelijk of belachelijk? Interessante stelling, maar daar gaan we het hier niet over hebben. Aan de orde is hoe je omgaat met zo’n decreet als je een buitenlandse vakantie wel degelijk zinvol acht voor de op jou aangewezen bewoners. Eerste vereiste is natuurlijk dat je op de hoogte bent van de bewuste regel. Tweede vereiste is een gedegen geografische kennis opdat je weet en beseft dat bijvoorbeeld België ook tot het buitenland behoort. Derde vereiste is dat je dit alles weet alvorens je al een Belgische reis hebt geboekt en er zelfs al een vakantie in dit exotische land op hebt zitten.

Kort en goed: een vergelijking met de Biezenkuilen gaat in deze niet op, omdat we simpelweg aan geen van de drie eisen voldeden. Daardoor kan de infantiele benadering van “Wat zij mogen, mogen wij ook” tevens gevoeg­lijk als onzinnig worden bestempeld. En dan heb ik het er nog niet over dat een dergelijke benadering toch op zijn minst dient te zijn voorafge­gaan door de weloverwogen vraag “Kunnen wij wat zij kunnen, en zo ja hebben de bewoners er iets aan?”

Maar nu loop ik vooruit op mijn intenties. U voldoet aan de drie genoemde eisen en dient een verzoek in tot uitzondering op de regel bij de aanvoerder van het managementteam. Primaire, instinctieve reactie: precedent, onrust, risico. Gevreesd wordt: meerdere verzoeken uitmondend in verzoeken tot buitenaardse uitstapjes als ultieme doch logische stap in de schakel buitenhuis – buitenland – buitenaards. “Geacht managementteam. Wij menen dat het buiten(!)gewoon zinvol zou wezen voor de ontwikkeling en ervaringswereld van onze bewoners indien zij een ruimtevlucht konden ondernemen in het kader van de vakantie 1990”. Zie hier wat een symposium ‘Zwakzinnigenzorg anno 2002’ versneld teweeg kan brengen!

Afwijzing dus. Met als enige schrale troost misschien een eervolle vermelding van het oneerbare voorstel in het managementteamverslag. Inmiddels weet je echter dat deze eerste reactie zowel instinctief als tactisch is ingegeven en besef je dat, als je het hierbij laat zitten, de bestuurders met reden mogen vaststellen dat het wederom niet meer omvatte dan een gril, een persoonlijke obsessie of een doelloze provocatie. Dus wat doe je? Je gaat weloverwogen na of het gedane verzoek redelijk en haalbaar is. Je onderbouwt dit met steekhoudende argumenten. Je anticipeert op mogelijke gevolgen, risico’s, neveneffecten en bepaalt of deze verantwoord zijn. Vergeet niet de financiële consequenties en zet dit alles op papier. Zonder schrijffouten, in een vlotte bondige stijl en onderteken vooral niet alleen met je voornaam. Schakel de juiste personen in, enthousiasmeer anderen met ondernemingslust, doch voldoende realiteitsbesef.

Laat je niet intimideren door of verleiden tot verbaal of schriftelijk geweld. Verlies je niet in onnodig provoceren, maar houd je verre van geslijm en kuiperijen. Voeg daarbij een frisse adem en een niet-hinderlijke lichaamsgeur en je maakt een gerede kans om op een verstilde ochtend je krant open te slaan en oog in oog te staan met een parmantige geneesheer-directeur, poserend naast een space-shuttle die de eerste Severinusbewoners de ruimte zal geven, waarvoor jij zo vurig, maar efficiënt hebt gepleit. Je aanvankelijke irri­tatie over het weglopen van een ander met jouw oorspronkelijkheid ebt spoedig weg om plaats te maken voor het tintelende besef dat jij dan toch maar lid van de bemanning bent en dus de werkelijke sensaties gaat ervaren.

De aandachtige lezer en goede verstaander begreep het al. Dit is geen predi­king tot revolutie, geen oproep tot een revolte. Het is een ongevraagde, doch met graagte gepleegde verduidelijking van het beleid. Er is dus geen enkele reden tot censuur, laat staan ontslag. Men zou wel gek zijn en dus volkomen tegenstrijdig handelen aan de ver­ondersteld inzichtsrijke politiek, door nu net een der weinigen die in de gaten heeft wat men wil bereiken en conform functioneert, te elimineren. Neem dus de handschoen op, kruip uit je schulp en voorkom dat het manage­ment tot de conclusie moet komen dat hun zorgvuldig afgewogen beleid slechts averechts werkt, dat de kopjes nog meer gaan hangen en men zich enkel en alleen nog tevreden stelt met uiterlijk vertoon en schijnverandering.

Één uitspraak wil ik u niet onthouden, gedaan door een weliswaar omstreden, maar onmiskenbare persoonlijkheid uit het naaste verleden. Toen hij hoorde dat ik op het eerste buitenhuis van deze stichting ging werken, sprak hij de wijze woorden: “Maak er vooral geen kleine inrichting van.. “.

Jan/febr. 1985

Hein Meurs

Ps. Noot Mazuro anno 2010: vele verwijzingen zijn nu natuurlijk niet meer te herkennen, laat staan te begrijpen. Ik volsta met één toelichting op de 1e alinea. De latere buitenhuizen heetten (aanvankelijk) Hooghuis en Laaghuis, later Eindstraat (gevolgd door het huisnr. ?), Berg 96 en Nieuwe Kerkstraat 38.

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: