Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Severinus Veldhoven’

Alweer veel te lang geleden publiceerde ik mijn laatste (jubileum)aflevering in dit kader. Bent u de draad kwijt, dan kunt u desgewenst hieronder uw geheugen opfrissen.

Mijn (werk)leven werd dus rondom en de jaren na het millennium in grote mate beheerst door psychosomatische wederwaardigheden. Van lieverlee – en omdat ik altijd wel een vermoeden heb gehad dat er iets mis was met mijn slaapkwaliteit – maakte ik mijn herintrede op Kempenhaeghe te Heeze. Beter gezegd: op het slaap- en waakcentrum van Kempenhaeghe. Mijn eerdere onderzoeken aldaar hadden al in die richting gewezen en tot medicamenteuze behandeling geleid, maar dat bood weinig soelaas. Ervan uitgaande dat de onderzoeksmethoden en de expertise inmiddels weer gemoderniseerd en verbeterd waren, liet ik me opnieuw registreren en analyseren.

Maar tegelijkertijd was ik zodanig tegen mijn baan en functie op Severinus/Biezenkuilen aan gaan hikken, dat ik me genoodzaakt voelde de knoop door te hakken. Door aan te geven dat ik me niet meer in staat voelde om deze functie op deze werkplek nog langer naar behoren uit te oefenen. Ik ben met doorgaans volop, soms wat minder, medewerking en begrip van ‘Severinus‘ een traject ingegaan dat uiteindelijk heeft geleid tot het gaan werken bij de GGzE. Maar dan gaan we wel erg kort door de bocht. Ik zat een poos voor een gedeelte in de ziektewet en dat andere gedeelte werd ingevuld door werkzaamheden/klusjes van uiteenlopende aard binnen Severinus. Parallel daaraan liep een soort van re-integratietraject, inclusief een zogeheten assessment. Gaandeweg groeide zowel bij mij als bij de inmiddels ex-directeur het besef dat het beter zou zijn om niet terug te keren op de Biezenkuilen en om in/met een andere werkomgeving/functie-inhoud te gaan werken.

Ik kan en wil er niet omheen dat dit alles, met name als gevolg van een moeizame relatie met mijn toenmalige direct leidinggevende/sectorhoofd, nogal wat voeten in aarde heeft gehad. Om niet te zeggen met de nodige verwikkelingen gepaard is gegaan. Laten we volstaan met mijn interpretatie dat we beiden een verschillende uitleg gaven aan de/mijn situatie. Dat rijmt zonder dat het rijmde. Gelukkig is dit op de valreep, mede door interventie van de ex-directeur en mijn voormalige sectorhoofd, toch nog redelijk goedgekomen.

Ruwweg gesteld wilde ik een meer inhoudelijke dan coördinerende/organiserende baan en wilde ik ook af van de gebrekkige, voorspelbare communicatiestructuur die nu eenmaal inherent is aan de omgang met verstandelijk beperkte mensen; de relatief hoge zelfstandigheidsgraad van de Biezenkuilen ten spijt. Dat ik er daarmee in salaris op achteruit zou gaan, was een ingecalculeerde keuze. De assessment-procedure was een belevenis op zich. Alleen al vanwege mijn ‘opgebrande’ gevoel, maar ook door alle verwikkelingen, waren mijn zelfvertrouwen en energiepeil danig gekelderd en uitgerekend in die deplorabele conditie moet je geschiktheidstesten afleggen. Daarbij heb ik – iets wat intimi niet zal verbazen – heel wat discussies gehad met de onderzoeker over de formulering van de uitkomsten en dan met name over de stelligheid waarmee zaken werden geponeerd.

Volgens mij is geen enkele testcase/assessment zaligmakend dan wel geheel objectief, waardoor het minimaal gewenst is om in de conclusies herhaaldelijk te vermelden dat ‘dit onderzoek heeft uitgewezen’ i.p.v. iets als waar en onomkeerbaar te poneren en registreren. Dat neemt overigens niet weg dat er verhelderende conclusies in waren verwerkt, waarmee ik zeker ook mijn voordeel heb gedaan. En de kernconclusie dat ik te lang op dezelfde werkplek ben blijven hangen en (dus) stil ben blijven staan in mijn (werk)ontwikkeling, daar kon zelfs ik onmogelijk omheen. Maar dit moest ik wel even kwijt.

De insteek was dat ik vooralsnog in dienst zou blijven van Severinus, maar op detacheringsbasis elders zou gaan werken. Talloze sollicitatiebrieven en -gesprekken waren het gevolg. Let wel, ik was inmiddels de 50 ruim gepasseerd en wist eigenlijk niet meer wat solliciteren was. Sowieso heb ik altijd moeite gehad om mezelf aan te prijzen/te verkopen, deels ook vanuit de ietwat arrogante instelling dat ik altijd wel ergens voor gevraagd zou worden. Dat men mijn kwaliteiten wel zou zien en dat ik die dan wel ergens zou kunnen etaleren. In zo’n sollicitatietraject word je dan snel ontnuchterd, voor zover ik dat al niet was.

Ik zal u niet lastig vallen met alle gevolgde sporen die varieerden van consulent tot vrijwilligerscoördinator, van casemanager tot ambulant begeleider. Merendeels werd ik vriendelijk te woord gestaan en weer de deur gewezen. In een enkel geval was de be- en afhandeling verre van sollicitantvriendelijk. In het bijzonder de gang van zaken rondom mijn sollicitatie naar de functie ‘Coördinator Vrijwilligerswerk’ bij de stichting ORO in Helmond was ronduit schandalig. Ofschoon alweer járen geleden word ik opnieuw hels als ik eraan terugdenk. Met name dhr. Jans(s)en, destijds aldaar hoofd p & O – vrijwel overal de kleine p van ‘personeel’ en de grote O van ‘Organisatie’ –  en de contactpersoon in deze sollicitatieprocedure, verdient een ‘eervolle’ vermelding.

Binnenkort schets ik u de verdere gang van zaken op weg naar en tijdens mijn late wissel in de herfst van mijn zorgwekkende carrière.

Ps 1. Afbeelding Assessment is van http://www.intermediair.nl

Ps 2. Afbeelding Re-integratie is van reintegratieshit.blogspot.com

Ps 3. Afbeelding Detachering is van http://www.nachtportiers.com

Read Full Post »

HET EINDE VAN HET HENDRIKSIAANSE TIJDPERK

Een feuilleton over mijn zorgwekkende loopbaan, dus grotendeels over Severinus Veldhoven, kan en mag niet voorbijgaan aan het recente afscheid van de sedert mensenheugenis vleesgeworden Severinus-directeur. Nu wil ik het gebruik van namen zoveel als wenselijk vermijden in mijn referaten, maar in dit verband laat ik dit principe varen. De aandachtige, maar vooral de meer ingevoerde lezer weet dat de goede man regelmatig de Mazuro-revue is gepasseerd. In allerlei bewoordingen, situaties en kwalificaties.

Ad Hendriks dus. Met pensioen, noodgedwongen op rantsoen, althans qua doen. Onlangs nam hij afscheid – tegen zijn wil, maar als een geslaagde ridder – na een levenslange carrière bij Severinus. Iets eerder begonnen dan ik, beginjaren ’70, om daarna nooit meer, zelfs niet met een andere werkgever/geefster vreemd, laat staan weg te gaan. Althans, voor zover ik weet. En als we hem dan al van polygamie mogen beschuldigen, is dat omdat Severinus zijn tweede vrouw was. Ex aequo op een, beter gezegd.

Onze kennismaking zal ik vast ooit eerder hebben beschreven, maar is té frappant om niet nog eens op te tekenen. In het jaar 1973 kon Nederland veilig gaan slapen omdat schrijver dezes toen (z)onder de wapenen was. Na een verkorte opleiding voor hospik werd ik gestationeerd in Breda. Aangezien ik dacht een permanent poliklinisch kazerneverblijf niet te zullen overleven, ging ik dagelijks per openbaar vervoer van Veldhoven naar Breda. In de eerste bus stapte ook telkens een vroegkalende, iets oudere jongeman in. Op het station Eindhoven scheidden zich dan onze wegen. Nadat ik erin was geslaagd om eervoltijds ontslag uit deze minimilitaire dienst te krijgen, ging ik begin 1974 aan de slag bij de Severinusstichting. Op mijn eerste werkdag stond ik in de badkamer van paviljoen 3, groep 4, toen de deur openging en een klein gezelschap binnentrad onder – toen al – aanvoering van mijn vaste busreiscompaan. Die dus Ad Hendriks bleek te heten. En die vanuit Eindhoven de trein naar Amsterdam nam (tot later onbegrip van Theo Maassen) om aldaar de Sociale Academie te frequenteren. U begrijpt, zoiets schept toch een band.

Dat toen voor de ambitieuzen onder ons de tijd rijp was, heb ik ook reeds uitvoerig uiteengezet. De zwakzinnigheid werd gesepareerd van de psychiatrie, de inrichtingen rezen als paddenstoelen uit de grond en de echte mannen roken hun kans in deze nog allesbehalve geëmancipeerde sector. Je kunt Ad Hendriks gevoeglijk de personificatie van dit specimen noemen. En ik zou hem onrecht aandoen wanneer ik hem alleen maar zou betichten van statuszucht en baantjesjagerij. De ambitie om de kwaliteit van de toen nog zogeheten zwakzinnigenzorg te verbeteren, mag hem zeker niet worden ontzegd. En dat hij daarin, tezamen met een op familiaire leest geschoeide vertrouwensclan, zeer wel is geslaagd, mag evenmin onvermeld blijven.

Dat daarbij onze paden, maar ook degens, zich regelmatig kruisten, is eveneens een feit dat in de hieraan voorafgaande afleveringen uitgebreid aan de orde is gekomen. Het feit dat ik minder gevoelig en geporteerd was voor/van die familiaire clan in engere zin, heeft er zeker en vast toe bijgedragen dat onze verstandhouding aan wisselende kwaliteit onderhevig is geweest. In engere zin waren we aan mekaar verbonden middels een gentlemen’s agreement over een afwijkende constructie qua organisatiestructuur. Dat dit agreement gedurende een bepaalde, minder prettige periode minder des gentlemen’s was, heb ik hier en hier uitvoerig beschreven.

Maar eind goed, al (nou ja, het meeste) goed. Ik ben als een moderne psychiatrische patiënt weer gerehabiliteerd en heb het nodige bij- en afgeleerd. Dat ik wel grotendeels dezelfde ben gebleven, kunt u hopelijk uit mijn geschriften opmaken, maar dat geldt zeker ook voor Ad Hendriks. Ter ere van zijn zilveren Severinus-jubileum mocht ik hem reeds columnistisch toespreken. Als pater familias deed ie in  figuurlijke zin wel aan gezinsuitbreiding middels de uitbouw van zowel de zorgkwaliteit als de woonaccommodatie. Daarbij, het mag niet genoeg worden benadrukt, onvoorwaardelijk gesteund door een selecte groep trouwe vazallen. Waarvan de enige voorname Veldhovenaar (maar geboren Skijndelnaar) die erin is geslaagd om bij leven en welzijn een straat én parkeergarage naar zich te laten vernoemen, een aparte vermelding verdient.

Dat deze in menig opzicht wat al te familiaire benadering niet altijd en voor iedereen een onverdeeld succes en genoegen is geweest, zal in mijn verdere beschouwingen zeker nog te berde worden gebracht. Dat laat onverlet dat de verdiensten van Ad Hendriks voor Severinus groot zijn geweest. En zoals het in een goed huwelijk betaamt, ook omgekeerd. Want wat en waar was hij geweest zonder Severinus? En als het aan hemzelf had gelegen, was de hechte relatie voortgezet. De ‘iets oudere jongeman’ van toen in de bus, blijkt nogal wat ouder in werkelijkheid, want AOW-gerechtigd. En daar wordt ie, tegen zijn zin en wil in, aan gehouden. Het zou een mooie AH-erlebnis zijn om de cirkel rond te krijgen, maar ook al hebben we nu beiden zeeën van reistijd, ik denk niet dat we nog ooit samen in de bus zullen zitten.

Een grootscheepse receptie, waarop zijn glimmende schedel door een zwarte paraplu werd beschermd tegen het licht dat over zijn glanzende carrière scheen, viel hem zwaar ten deel. Misschien dat dit sonnet tot troost heeft aangezet.
De koning heeft dan wel afstand gedaan van de troon, de geest van het Hendriksiaanse koninkrijk zal nog wel een poos rond blijven waren.

Read Full Post »


Voorafgaand aan de totstandkoming van ‘aanleunwoning’ Biezenkuilen 69, heeft zich Severinus-breed een aantal ontwikkelingen voorgedaan die niet onvermeld mogen blijven. Vanaf de beginjaren ’70 tot aan de jaren ’90 hadden we twee locaties, ’t Honk en De Berkt, spraken we van paviljoens, later van woonerven. Die werden geleid door een hoofd met assistent. Enige tijd lang completeerde een pedagogisch medewerkster (was steevast, maar niet altijd een ster) het triootje. In den beginne was er  ook assistentie voor het hoofd v/d verpleging. Om het koppie erbij te houden, denk ik. Ik meen zelfs dat de functionaris, die als een rode draad door mijn Severinus-memoires loopt, deze assistentfunctie bekleedde ten tijde van mijn Severinus-entree.

De directie was eerst nog een Januskop in de personen van een geneesheer- en een economisch directeur, maar werd alras eenzijdig onthoofd. Hierna was aanvankelijk de geneesheer stevig in de weer, waarna het bewind zoetjesaan een meer sociaal-maatschappelijk en vakinhoudelijk gezicht kreeg. Overigens heeft dit heel wat voeten in aarde gehad, met dien verstande dat het op goede voet staan met onze rode-draad-functionaris te allen tijde een voordeel, zo niet voorwaarde is geweest. Het toezicht werd gehouden door Het Bestuur, zoals toen en nog steeds te doen gebruikelijk, bestaande uit overwegend lokale notabelen. Heden ten dage spreekt men liever van een Raad van Toezicht.

Dit als opmaat voor een memorabele fase in mijn Severinus-bestaan. Want in 1991 moest de organisatiestructuur op de schop. Daarvoor werd een werkgroep in het leven geroepen die zich drie dagen lang moest verschuilen in de barre burelen van de Hogeschool te Eindhoven. Een zwaar euforisch eufemisme, want het enige ‘hoge’ waren de door ons bezette, drie bovenste etages van het voormalige Philips-kantoor tegenover de Witte Dame.

Het was sowieso opmerkelijk dat ik hiervoor was aangezocht. Al  sloot het wel weer naadloos aan bij mijn rehabilitatie, welke ik hier al eerder heb beschreven. Ik denk ook dat mijn relatieve-buitenstaander-toch-betrokken-positie in dit kader en gezelschap een pre was.

Vraag me niet om een gedetailleerde, concrete beschrijving van het proces. Daarvoor is het te lang heen en schiet mijn geheugen nu eenmaal schromelijk tekort. Wel heb ik in retrospectieve zin een positief gevoel aan deze intensieve exercitie overgehouden. Want afgezien van inhoud en resultaat en aangezien we daar meestentijds hebben stilgezeten, is er alleszins serieus en fanatiek gebrainstormd. Althans in mijn herinnering was er bij menigeen een sterke wil om een klus te klaren. Misschien zelfs wel het gevoel/besef om een stukje Severinus-historie te schrijven.

We zaten op bestuurlijk managementniveau in een woeligwarrige periode.  De  geneesheerschappij was dan wel voorbij, maar  de huidige vrijheidsrevoluties in  de Maghreb (zullen) bewijzen dat je van een overheersing niet alleen uiterst moeizaam geneest, maar vaak ook nog de nodige ziektes oploopt. Dat was bij Severinus niet anders. We hadden een snel-er-van-tussenpaus, een (voor krasse insiders) duo-psycholoog-Ad-interim-periode, kortom: Severinus zwalkte als de Titanic in haar laatste uren.

Toen de werkgroep aantrad, bestond het Management Team (MT) uit slechts twee personen: de net aangestelde directeur en het hoofd Bewonerszorg (jawel, daar hebben  we de vleesgeworden rode draad weer te pakken!). De paviljoen/woonerfstructuur was al verlaten en men wilde naar diensten (later sectoren) met een eigen secretariële ondersteuning. De sectorhoofden moesten ook deel uit gaan maken van het MT, waardoor er een veel breder verantwoordelijkheidsdraagvlak werd gecreëerd. Deze zaken, het transformeren van de assistent-woonerf/diensthoofden in zogeheten verpleegkundig staffunctionarissen, plus het verzelfstandigen van woongroepen/huizen en de leidinggevenden hiervan, waren dé kernpunten van onze missie.

In feite moest men van (de functie van) de assistenten af, maar kon (lees wilde) men geen afscheid nemen van de personen in kwestie. Iedereen moest binnenboord blijven. Op zich een loffelijk streven, mits dan wel klare wijn werd geschonken. Want in mijn ogen was dit dé gelegenheid om zowel het individu als de organisatie klaarheid te verschaffen over ’s mens functioneren. Sterker nog: het was en is de plicht van de verantwoordelijken om hierover een duidelijk standpunt in te nemen. In algemeen belang  én dat van de persoon zelf. Een klassiek kritiek thema, waarover binnenkort meer in de slotaflevering.

Read Full Post »

Mijn eerste reflex bij het aanschouwen van de inmiddels beruchte Brandon-foto was er een van déjà vu. Jolanda Venema verscheen meteen op mijn netvlies. Maar pal daarna(ast) moest ik, ik vermoed vooral vanwege het tuig, onwillekeurig aan Joran van der Sloot denken.

Sorry daarvoor Brandon, want het is eigenlijk een regelrechte belediging voor jou. Toch liet het mij niet los. Er is enige fysieke gelijkenis. Beiden kunnen met enkel hun voornaam volstaan in de publiciteit en de geschiedenis. (Tekenend voor het huidige mediatijdperk is dat Jolanda destijds kennelijk nog niet genoeg had aan haar voornaam). En beiden zijn getekend en geketend. Figuurlijk, maar ook in letterlijke zin, zij het in een andere volgorde.

De wrange werkelijkheid is dat van deze twee, de verkeerde persoon aan de ketting ligt. Als ik mijn onderbuik laat spreken tenminste. Want wees gerust, ik ben een principiële tegenstander van welke ketening dan ook, hoe  zeer sommigen daar ook om vragen. Nou ja. Brandon vraagt er in de huidige, zo ontstane situatie om, uit zelfbescherming. Joran vráágt er om.

Dat bij mijn eerste reflex Jolanda Venema in beeld verscheen, is niet zo vreemd. Menigeen zal hetzelfde hebben gehad, mits van de ‘juiste’ generatie. Echter in mijn geval was dit des te begrijpelijker omdat ik als gevolg van de opschudding over deze schokkende foto professioneel in aanraking ben gekomen met een vergelijkbare situatie. Want, zoals nu met Brandon ook het geval is/ongetwijfeld zal zijn, wisten de politiek en de zorgsector niet hoe gauw ze werk moesten maken van deze schandvlek op onze beschaving. Met alle oprechte bezorgdheid, maar ook hypocrisie, scoringsdrift en selectieve verontwaardiging van dien, toen en nu!

Er werden toentertijd, eind jaren ’80/beginjaren ’90, verspreid over den lande, als de wiedeweerga 5 zogenaamde Consulententeams opgericht met een totaalbudget van zo’n 20 miljoen euro. Heden ten dage kan men zich wenden tot het Centrum voor Consultatie en Expertise. Hier is duidelijk over nagedacht, maar of het daarmee ook beter is geworden..? Het is te hopen van wel, alleen komt nu pas dit centrum echt in beeld. Want de aandacht, facilitering en budgettering voor deze gedragsproblematiek waren zoetjesaan afgenomen. In de periode zo vlak na 1988 was dat wel anders. Maar waar het toen in elk geval aan ontbrak, was coördinatie. Een woord dat ook nu dus nog ontbreekt in de naamgeving. En niet denkbeeldig dus ook in de werkwijze.

Let wel! Ik ben een uitgetredene en mijn laatste ervaringen met de Verstandelijk Gehandicaptenzorg dateren van 2004, waarna ik nog tot vorig jaar in de Psychiatrie (autisme) heb gewerkt. Wat ik wel weet is dat het gebruikmaken van de Consulententeams nogal natte-vinger-werk was. De ongetwijfeld goede bedoelingen, succesverhalen en gunstige uitzonderingen niet te na gesproken. Maar het werd aan een instelling overgelaten of deze al dan niet deze extra ondersteuning in wilde huren. Die facilitering kon grofweg zowel bestaan uit specifieke consultatie/behandeladvies als uit fysieke, begeleidkundige aanwezigheid ter plekke. Niet zelden was het een combinatie van beide. Van andere instellingen werd verwacht dat men min of meer om beurten en evenredig expertise/mankracht ‘uitleende’.

Mijn werkgever, Severinus Veldhoven, die zeker destijds niet werd gehinderd door bescheidenheid, was nauwelijks actief op dit gebied;  hulpvragend noch hulpbiedend. Het is dan ook niet toevallig dat men mij pas medio 1992 aanbood om een ondersteunende rol als casemanager te vervullen ihkv het Consulententeam. Ook de wijze waarop was curieus omdat men mij dit terloops en ogenschijnlijk opportunistisch voorlegde. Het kwam er eigenlijk op neer dat Severinus te verstaan was gegeven dat ze haar steentje ook maar eens moest bijdragen. Min of meer per toeval had ik in dat tijdsbestek wat vaker overleg met de verantwoordelijken. En bovendien zat ik in mijn rehabiliteitsfase, anders gezegd: ik was persona non grata af en had ook aangegeven ‘in’ te zijn om wat ‘bij te klussen’. Blijkbaar zorgde een koppeling van deze gegevens ervoor dat mij de casus werd toebedeeld. Wordt vervolgd.

Read Full Post »

Blij en verguld als ik was met een andere uitdaging en te zijn uitverkoren, negeerde ik aanvankelijk al dan niet bewust het feit dat ik nou niet bepaald de aangewezen persoon was voor dit klusje. Reken maar uit: ik werkte al 15 jaar in een buitenhuis/sociowoning, met bewoners van een hoog zelfstandigheidsniveau. Waar gedragsproblematiek weliswaar voorkwam, maar meer dan waarschijnlijk niet van dien aard of in die context waarin ik nu terecht zou komen. Daarbij had ik geen specifieke, geschoolde kennis op dit gebied. Mijn gereedschap bestond uit een flinke dosis werkervaring, een gedegen analytisch vermogen, een geoefend oog voor teamprocessen en de nodige communicatieve vaardigheden. Niet mis, als je het zo op een rijtje zet, maar toch.

Waarschijnlijk vond men – en ik zelf  in het begin ook,  eerlijk gezegd – dat dit voldoende was. Het was dus niet alleen Severinus die weinig last had van bescheidenheid. Hoe dan ook, ik werd ingezet ter ondersteuning van een diepzwakzinnige, ernstig gedragsgestoorde (mochten we toen allemaal nog net zeggen..) vrouw, die dusdanig agressief, destructief gedrag vertoonde dat de professionele begeleiding er geen raad mee wist. We zullen haar gemakshalve Anna noemen en ze verbleef op Sint Anna in Heel, Limburg. Destijds een strikt dames-inrichting, zusje van de nabijgelegen strikt mannenkliniek Sint Joseph (Sint Joep). Thans ressorterend onder Daelzicht. In vrijwel geheel Nederland was er gemengde populatie. Héél Nederland? Nee, een kleine nederzetting bleef wankelmoedig weerstand bieden… Heel dus.

We schrijven 1992 en grosso modo was de Verstandelijk Gehandicaptenzorg toch al behoorlijk gemoderniseerd. Zo niet in Heel. Sowieso was ik al allergisch voor inrichtingsaccommodaties, maar hier leek het net of ik in het prehistorisch tijdperk was ingetreden. Op zegge en schrijve 50 km afstand en 40 minuten rijden, leek het alsof ik in een totaal ander land, in een lang vervlogen cultuur verzeild raakte. U kunt zich wellicht voorstellen dat dit mijn zelfvertrouwen en motivatie niet ten goede kwam. Daarbij werd al vrij snel duidelijk dat er – op zich begrijpelijk – bij een aantal teamleden van de Anna’s afdeling de nodige scepsis was over mijn aanstelling. Dus van een ‘open-armen-ontvangst’ was geen sprake.

Desalniettemin kreeg ik toch ook medewerking van een soort van teamcoördinator, hoewel dit geenszins formeel was en zeker niet als zodanig mocht worden beschouwd. Want men hechtte zeer aan het horizontale team, beter gezegd, aan een niet-hiërarchische structuur. Ergo! Ik was op Biezenkuilen 8 ook teamcoördinator, maar dat behelsde een leidinggevende functie. In mijn optiek is dat ook de best werkende structuur.

Een ander wezenlijk verschil met de Severinuscultuur was de prominente plek die de psycholoog innam. Toen ik midden jaren ’70 bij Severinus kwam werken, had de psycholoog/pedagoog een soortgelijke dominante positie. Let wel, op de persoon en expertise van de psycholoog was op zich weinig af te dingen, maar het voetstuk waarop hij werd geplaatst en de vrijwel kritiekloze, serviele benadering die hem ten deel viel, waren niet alleen uit de tijd – het werkte bovenal contraproductief. Want men had wel degelijk een mening over van alles en nog wat, zij het slechts achterbaks en off the record.

Hiermee raken we aan de kern van het probleem. Sowieso zijn weinigen hiermee gezegend, maar wij zuiderlingen blinken niet uit in directheid en  incasseringsvermogen. In Limland is dat doorgaans nog minder het geval, wist ik al uit vroegere ervaringen. Ik trof een team met ogenschijnlijk frisse, jonge mensen die in de wandelgangen en in rustig vaarwater het uitstekend met elkaar konden vinden. Ook buiten het werk trok menigeen met mekaar op. Echter zodra er teamoverleg was, er ook maar een schijn van feedback werd gegeven, dan vloeiden de traantjes en ‘spaarde’ men de ander en zichzelf op een wijze waaraan het spreekwoordelijke varken nog een puntje kon zuigen.

Kortom, het ontbrak nagenoeg volledig aan een professioneel overlegklimaat. De psycholoog zat deze bijeenkomsten voor, maar ontbeerde zowel het gezag alsook de bezieling om dit te (bege)leiden. Tel daarbij nog op de gebrekkige woonaccommodatie, plus het feit dat op meerdere plekken bij Sint Anna én Sint Joep het Consulententeam actief was. Afzonderlijk van elkaar werden vrijwel dezelfde tekortkomingen geconstateerd, waardoor het onomstotelijk en onmiskenbaar was dat de instelling in al haar geledingen een stevige kwaliteitsinjectie behoefde.

En Anna dan? Tja… Zoals gewoonlijk vormde niet ‘de Anna’ het kernprobleem, maar was een structureel tekort in de voorwaardenscheppende sfeer het euvel. Een schromelijk gebrek aan professionele kwaliteit in alle opzichten. Waardoor constructieve samenwerking, een humane bejegening en verantwoorde zorg bij voorbaat tot mislukken waren gedoemd.

Binnenkort in de laatste aflevering de afwikkeling, slotconclusies, aanbevelingen en oplossingsmogelijkheden. Wordt dus nog vervolgd.

Read Full Post »

Trouwe volgers en geïnteresseerden van het feuilleton Over bezorgd en onwel zijn hebben wellicht de indruk gekregen dat dit de uitingen zijn van een gefrustreerde ex-werknemer van Severinus. Van een zwaar teleurgesteld iemand die vanachter zijn toetsenbord bezig is met de kille afrekening. Niets is minder waar. Zoals ik al eerder heb opgebiecht, ligt Severinus, met al  personen en haar geledingen, mij na aan het hart. Dat kan ook bijna niet anders als je er ruim 30 jaar hebt rondgelopen. Maar aangezien ik nu eenmaal het principe huldig dat juist je beste vriend(in) jouw meest kritische benadering verdient en ik een fanatiek beoefenaar ben van het motto”Was sich liebt, das neckt sich“, moet dus ook Severinus zich mijn scherpslijperij laten welgevallen. 

Soms kreeg ik te horen dat het wel heel veel over mezelf gaat en ging. Maar als je het over anderen hebt, gaat het ten principale ook altijd  over jezelf en omgekeerd. Mijn insteek is echter steeds (geweest) om mijn persoonlijke zaken breder te trekken, in een context te plaatsen. Een context die het persoonlijke overstijgt en waardoor (verkeerde of scheefgegroeide) patronen en systemen worden blootgelegd.
In elk geval kan mij niet worden verweten dat ik natrap of het nest bevuil, want de columns die ik al tijdens mijn actieve carrière schreef, vormen het onomstotelijke en levende bewijs van het feit dat ik mijn geliefde al tijdens onze relatie nekte. Waarvan akte.

Read Full Post »

Vanzelfsprekend heb ik ook veel geleerd tijdens mijn opleiding voor psychiatrisch verpleegkundige en niet alleen hoe het niet moet. Het belang van teamgeest en -samenwerking. De bittere noodzaak van duidelijk doch invoelbaar leiderschap en management. De ijzeren regel – helaas nog het meest overtreden – van een gedegen planning en voorbereiding. De wenselijkheid van een inspirerende doch haalbare, realistische visie. De behoefte aan kwaliteitsverbetering annex -meting en professionalisering van het métier. Maar de klantgerichtheid, de menselijke maat en verkleinde afstand tussen behandelaars, doktoren en hoofden – thans vaak volkomen misplaatst managers geheten –  enerzijds en de verplegenden en verpleegden anderzijds: dat alles moest nog komen of kwam mondjeszorgopmaat en schoorvoetend op gang.

Het werd tijd om te verkassen en ik nam afscheid van Venray en van Sint Servatius dat op het punt stond om te decentraliseren, rehabiliteren en normaliseren. Termen die, hoe constructief in wezen ook,  mij en vooral die arme hulpbehoeftigen tot vervelens toe zijn blijven achtervolgen in het verdere verloop van mijn zorgwekkende loopbaan.

Met het B-diploma en een in-het-land-der-blinden-kampioenstitel met SV Oostrum op zak verliet ik Venray om op het Veldhovense nest terug te keren. Van waaruit ik eerst mijn carrière onvrijwillig dienstplichtig vervolgde in het grootste zwakzinnigeninstituut te land, ter zee en in de lucht avant la lettre: Het Nederlandse Leger. Te laks om de gewetensbezwaarprocedure te doorlopen, kwam ik na een verkorte opleiding voor hospik via Amersfoort terecht in Breda. Alwaar ik als polikliniekverpleegkundige de ondraaglijke ledigheid van het bestaan heb mogen ervaren. Hangen en kaarten waren onze voornaamste bijdragen aan de verdediging van het vaderland. En zo af en toe wisten wij ons land te behoeden voor bij voorbaat onvoorwaardelijke capitulatie door knarsende kneuzen en lamlendige labielen de bewaking van onze grenzen te ontzeggen middels een afkeuring met S 5: hét stempel van de al dan niet simulerende sukkelsoldaat. 

Gelukkig gingen infantiele bezigheden als wachtlopen, marcheren en veldoefeningen meestal aan deze koene strijder voorbij of liep dit toevallig synchroon met de keren dat ik onpasselijk werd. Slechts één keer onderging ik een orgastisch machtsgevoelen toen ik me versliep voor een oefening in landsbelang en ik met een jeep werd opgehaald omdat de exercitie pas kon beginnen als de hospik op het appèl was verschenen; de aanwezigheid van koning, keizer, admiraal ten spijt.

Ook kan ik me nog een oefening in Amersfoort herinneren waarbij we soldaatje moesten spelen, compleet met camouflagetechnieken als zijnde mekander zwartmaken met Blenco en je verkleden als struikgewas. Bij mij zat er aldoor ruis op de lijn en speelde Toon Hermans voortdurend door mijn hoofd. Laat staan dat ik mijn lach  kon inhouden. Één bloedserieuze, uiterst fanatieke en net als ik toch al wat oudere rekruut ging helemaal op in het bespottelijke spel. Niet veel later kwam ik deze volwassen kleuter tegen bij mijn hierna volgende werkgever en wel als – zij het gelukkig niet mijn – paviljoenshoofd… Toen al moet ik hebben beseft dat ik niet was behept met blinde ambitie. Of ongeschikt was voor het sluiten van een coalitie voor eender ook welke positie. Laten we het er maar op houden dat ik dat jaartje dienstplicht nooit zou hebben volbracht als ik niet elke dag met bus en trein van huis naar Breda en vice versa had kunnen reizen. Iets wat me in dit onbezoldigd bestaan toch nog wat geld heeft opgeleverd door op een creatieve wijze munt uit mijn diensttijd te slaan.

We sluiten dit nutteloze tijdperk af met een reisgegeven dat te saillant is om onvermeld te laten. In dezelfde bus naar het station ’s morgens vroeg zat gedurende vrijwel mijn gehele militaire carrière, de man waarmee ik – zonder dat we dat toen van mekaar wisten – ruim dertig jaar op mijn volgende werkplek heb gewerkt. Wat heet! Deze busreis bracht hem naar de Sociale Academie, alwaar hij de basis legde voor het huidige directeurschap dat hij nu alweer járen bekleedt op nog steeds diezelfde werkplek, Severinus Veldhoven.  Maar wat wil je ook. Hij met een socialistische academische titel op zak en ik met slechts een B-diploma en de B.L.M.O.-school: die van Buitengewoon Lager Militair Onderwijs. Toen ik later ook de asociale academie ging proberen te volgen.. Nou ja, dat komt dus nog.

ps 1 Of ik nu nog steeds zó aankijk tegen het soldatendom in het algemeen of Het Nederlandse Leger in het bijzonder? Dat is een column op zichzelf waard. In elk geval dacht ik er destijds zo over en werden mijn bedenkingen in de praktijk alleen maar bevestigd. Dat staat overigens los van de waardering die ik nu heb voor goedbedoelde militaire(?) missies in bijv. Afghanistan en Uruzgan. Goedbedoeld is echter nog geen rechtvaardiging. Nogmaals, daarover wellicht een andere keer meer. 

ps 2 Bij het zien van de foto van het huidige 1e elftal van SV Oostrum kwam ik namen tegen die bijna zeker verwant zijn met enkele van mijn medespelers in het succesvolle seizoen 1971-’72. Sterker nog: ze lijken ook nog op exact dezelfde positie te spelen als hun vaders!

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: