Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘over bezorgd en onwel zijn’

Alweer veel te lang geleden publiceerde ik mijn laatste (jubileum)aflevering in dit kader. Bent u de draad kwijt, dan kunt u desgewenst hieronder uw geheugen opfrissen.

Mijn (werk)leven werd dus rondom en de jaren na het millennium in grote mate beheerst door psychosomatische wederwaardigheden. Van lieverlee – en omdat ik altijd wel een vermoeden heb gehad dat er iets mis was met mijn slaapkwaliteit – maakte ik mijn herintrede op Kempenhaeghe te Heeze. Beter gezegd: op het slaap- en waakcentrum van Kempenhaeghe. Mijn eerdere onderzoeken aldaar hadden al in die richting gewezen en tot medicamenteuze behandeling geleid, maar dat bood weinig soelaas. Ervan uitgaande dat de onderzoeksmethoden en de expertise inmiddels weer gemoderniseerd en verbeterd waren, liet ik me opnieuw registreren en analyseren.

Maar tegelijkertijd was ik zodanig tegen mijn baan en functie op Severinus/Biezenkuilen aan gaan hikken, dat ik me genoodzaakt voelde de knoop door te hakken. Door aan te geven dat ik me niet meer in staat voelde om deze functie op deze werkplek nog langer naar behoren uit te oefenen. Ik ben met doorgaans volop, soms wat minder, medewerking en begrip van ‘Severinus‘ een traject ingegaan dat uiteindelijk heeft geleid tot het gaan werken bij de GGzE. Maar dan gaan we wel erg kort door de bocht. Ik zat een poos voor een gedeelte in de ziektewet en dat andere gedeelte werd ingevuld door werkzaamheden/klusjes van uiteenlopende aard binnen Severinus. Parallel daaraan liep een soort van re-integratietraject, inclusief een zogeheten assessment. Gaandeweg groeide zowel bij mij als bij de inmiddels ex-directeur het besef dat het beter zou zijn om niet terug te keren op de Biezenkuilen en om in/met een andere werkomgeving/functie-inhoud te gaan werken.

Ik kan en wil er niet omheen dat dit alles, met name als gevolg van een moeizame relatie met mijn toenmalige direct leidinggevende/sectorhoofd, nogal wat voeten in aarde heeft gehad. Om niet te zeggen met de nodige verwikkelingen gepaard is gegaan. Laten we volstaan met mijn interpretatie dat we beiden een verschillende uitleg gaven aan de/mijn situatie. Dat rijmt zonder dat het rijmde. Gelukkig is dit op de valreep, mede door interventie van de ex-directeur en mijn voormalige sectorhoofd, toch nog redelijk goedgekomen.

Ruwweg gesteld wilde ik een meer inhoudelijke dan coördinerende/organiserende baan en wilde ik ook af van de gebrekkige, voorspelbare communicatiestructuur die nu eenmaal inherent is aan de omgang met verstandelijk beperkte mensen; de relatief hoge zelfstandigheidsgraad van de Biezenkuilen ten spijt. Dat ik er daarmee in salaris op achteruit zou gaan, was een ingecalculeerde keuze. De assessment-procedure was een belevenis op zich. Alleen al vanwege mijn ‘opgebrande’ gevoel, maar ook door alle verwikkelingen, waren mijn zelfvertrouwen en energiepeil danig gekelderd en uitgerekend in die deplorabele conditie moet je geschiktheidstesten afleggen. Daarbij heb ik – iets wat intimi niet zal verbazen – heel wat discussies gehad met de onderzoeker over de formulering van de uitkomsten en dan met name over de stelligheid waarmee zaken werden geponeerd.

Volgens mij is geen enkele testcase/assessment zaligmakend dan wel geheel objectief, waardoor het minimaal gewenst is om in de conclusies herhaaldelijk te vermelden dat ‘dit onderzoek heeft uitgewezen’ i.p.v. iets als waar en onomkeerbaar te poneren en registreren. Dat neemt overigens niet weg dat er verhelderende conclusies in waren verwerkt, waarmee ik zeker ook mijn voordeel heb gedaan. En de kernconclusie dat ik te lang op dezelfde werkplek ben blijven hangen en (dus) stil ben blijven staan in mijn (werk)ontwikkeling, daar kon zelfs ik onmogelijk omheen. Maar dit moest ik wel even kwijt.

De insteek was dat ik vooralsnog in dienst zou blijven van Severinus, maar op detacheringsbasis elders zou gaan werken. Talloze sollicitatiebrieven en -gesprekken waren het gevolg. Let wel, ik was inmiddels de 50 ruim gepasseerd en wist eigenlijk niet meer wat solliciteren was. Sowieso heb ik altijd moeite gehad om mezelf aan te prijzen/te verkopen, deels ook vanuit de ietwat arrogante instelling dat ik altijd wel ergens voor gevraagd zou worden. Dat men mijn kwaliteiten wel zou zien en dat ik die dan wel ergens zou kunnen etaleren. In zo’n sollicitatietraject word je dan snel ontnuchterd, voor zover ik dat al niet was.

Ik zal u niet lastig vallen met alle gevolgde sporen die varieerden van consulent tot vrijwilligerscoördinator, van casemanager tot ambulant begeleider. Merendeels werd ik vriendelijk te woord gestaan en weer de deur gewezen. In een enkel geval was de be- en afhandeling verre van sollicitantvriendelijk. In het bijzonder de gang van zaken rondom mijn sollicitatie naar de functie ‘Coördinator Vrijwilligerswerk’ bij de stichting ORO in Helmond was ronduit schandalig. Ofschoon alweer járen geleden word ik opnieuw hels als ik eraan terugdenk. Met name dhr. Jans(s)en, destijds aldaar hoofd p & O – vrijwel overal de kleine p van ‘personeel’ en de grote O van ‘Organisatie’ –  en de contactpersoon in deze sollicitatieprocedure, verdient een ‘eervolle’ vermelding.

Binnenkort schets ik u de verdere gang van zaken op weg naar en tijdens mijn late wissel in de herfst van mijn zorgwekkende carrière.

Ps 1. Afbeelding Assessment is van http://www.intermediair.nl

Ps 2. Afbeelding Re-integratie is van reintegratieshit.blogspot.com

Ps 3. Afbeelding Detachering is van http://www.nachtportiers.com

Read Full Post »

De 25e, soms overbezorgde, dan weer onwelriekende, maar altijd met een beetje ketchup overgoten editie over mijn werkende wel en wee in de zorgsector. Met een openingszin die zowel mijn ietwat statige stijl als dit jubileum markeert en karakteriseert. Mijn hemel, de 25e! Dat is bijna een aflevering per werkjaar. Zeker voor wat betreft mijn Severinus/Biezenkuilen-carrière.

Want we zijn inmiddels aanbeland bij de beginjaren van de 21e eeuw. In het najaar van 2003 zou de moeder aller buitenhuizen van Severinus haar zilveren jubileum vieren. Het mijne had ik er al een paar jaar op zitten. Niet verrassend was ik nog het enige teamlid dat vanaf het begin af aan de Biezenkuilen trouw was gebleven. Ik blijf een liefde nu eenmaal een liefde lang trouw. In de ogen van menigeen was ik eraan vastgeroest. En eerlijk gezegd voelde ik zelf ook de slijtage aan den lijve beklijven. Hoewel de woonhuiscoördinator nog steeds een meewerkende leidinggevende was, draaide ik wel aanmerkelijk minder slaapdiensten. Mijn baan werd meer en meer een kantoorbaan, met dien verstande dat het in slaapdienst weekendwerken bleef bestaan. Ook nam ik regelmatig zitting in commissies en werkgroepen.

Stiekem hoopte, zeg maar gerust rekende, ik op een geschikt aanbod voor het restant van mijn Severinus-loopbaan. Want inderdaad, gevoelsmatig was ik al aan het afbouwen, aan het afscheid nemen, zonder dat ik concreet wist wat dan te doen; laat staan dat ik – modermistisch geformuleerd – proactief bezig was in dit opzicht. Hoog- en lankmoedig als ik was, speculeerde ik erop dat me wel iets in de schoot geworpen zou worden. Al dan niet vanuit mijn oude, vertrouwde buitenhuisje als basis en zo dacht ik het wel uit te kunnen zingen tot aan mijn pensioentje. Want aan voldoende vrije tijd ontbrak het niet en daarbij gebiedt de eerlijkheid me te zeggen, dat ik me ook een tijdlang rijk rekende met een mooie profvoetbalcarrière van mijn jongste zoon. Niet zozeer rijk in materiële zin, maar ik ging ervan uit dat de aantrekkelijke aspecten daarvan in de vorm van dit allemaal te volgen en mee te mogen maken, ruimschoots de sleur en groeiende weerzin omtrent mijn werk zouden compenseren.

Althans, zo redeneerde ik in aanvankelijke zin. Maar niet alleen de voetbalcarrière van zoonlief verliep anders dan verwacht, ook mijn gezondheid ging me steeds vaker en intensiever parten spelen. In hoeverre de psychische component daarin een rol speelde, blijft een kwestie van speculeren. Ongetwijfeld is het feit dat ik er steeds meer tegenaan ging hikken, een cruciale factor geweest. Het jarenlang onregelmatig werken, vooral in nacht- en slaapdiensten, gevoegd bij het te lang blijven hangen op dezelfde werkplek: al deze factoren veroorzaakten bij mij een steeds groeiende, welhaast fysieke weerzin tegen mijn werksituatie. Ik ben er dan ook van overtuigd dat een burn-out zelden voortkomt uit teveel of te hard werken, maar veeleer wordt veroorzaakt door het te lang niet (meer) op de juiste werkplek zitten c.q. door stelselmatig te worden ondervraagd en/of te weinig te worden uitgedaagd. Je kunt gerust stellen dat ik dit in hoge mate heb onderschat.

Hoe dan ook, kip of ei, in 2001 kreeg ik een fikse waarschuwing die mij nóg meer aan het denken heeft gezet en die ik uiteraard op mijn geheel eigen wijze heb beschreven. Waartoe die waarschuwing en al dat denken uiteindelijk hebben geleid, beschrijf ik in de volgende aflevering van mijn, ik besef toch wel steeds zorgwekkender wordend bestaan. Ik beloof u dan ook bij deze dat de luchtige, vrolijke noot ook dan niet zal ontbreken.

Read Full Post »

HET EINDE VAN HET HENDRIKSIAANSE TIJDPERK

Een feuilleton over mijn zorgwekkende loopbaan, dus grotendeels over Severinus Veldhoven, kan en mag niet voorbijgaan aan het recente afscheid van de sedert mensenheugenis vleesgeworden Severinus-directeur. Nu wil ik het gebruik van namen zoveel als wenselijk vermijden in mijn referaten, maar in dit verband laat ik dit principe varen. De aandachtige, maar vooral de meer ingevoerde lezer weet dat de goede man regelmatig de Mazuro-revue is gepasseerd. In allerlei bewoordingen, situaties en kwalificaties.

Ad Hendriks dus. Met pensioen, noodgedwongen op rantsoen, althans qua doen. Onlangs nam hij afscheid – tegen zijn wil, maar als een geslaagde ridder – na een levenslange carrière bij Severinus. Iets eerder begonnen dan ik, beginjaren ’70, om daarna nooit meer, zelfs niet met een andere werkgever/geefster vreemd, laat staan weg te gaan. Althans, voor zover ik weet. En als we hem dan al van polygamie mogen beschuldigen, is dat omdat Severinus zijn tweede vrouw was. Ex aequo op een, beter gezegd.

Onze kennismaking zal ik vast ooit eerder hebben beschreven, maar is té frappant om niet nog eens op te tekenen. In het jaar 1973 kon Nederland veilig gaan slapen omdat schrijver dezes toen (z)onder de wapenen was. Na een verkorte opleiding voor hospik werd ik gestationeerd in Breda. Aangezien ik dacht een permanent poliklinisch kazerneverblijf niet te zullen overleven, ging ik dagelijks per openbaar vervoer van Veldhoven naar Breda. In de eerste bus stapte ook telkens een vroegkalende, iets oudere jongeman in. Op het station Eindhoven scheidden zich dan onze wegen. Nadat ik erin was geslaagd om eervoltijds ontslag uit deze minimilitaire dienst te krijgen, ging ik begin 1974 aan de slag bij de Severinusstichting. Op mijn eerste werkdag stond ik in de badkamer van paviljoen 3, groep 4, toen de deur openging en een klein gezelschap binnentrad onder – toen al – aanvoering van mijn vaste busreiscompaan. Die dus Ad Hendriks bleek te heten. En die vanuit Eindhoven de trein naar Amsterdam nam (tot later onbegrip van Theo Maassen) om aldaar de Sociale Academie te frequenteren. U begrijpt, zoiets schept toch een band.

Dat toen voor de ambitieuzen onder ons de tijd rijp was, heb ik ook reeds uitvoerig uiteengezet. De zwakzinnigheid werd gesepareerd van de psychiatrie, de inrichtingen rezen als paddenstoelen uit de grond en de echte mannen roken hun kans in deze nog allesbehalve geëmancipeerde sector. Je kunt Ad Hendriks gevoeglijk de personificatie van dit specimen noemen. En ik zou hem onrecht aandoen wanneer ik hem alleen maar zou betichten van statuszucht en baantjesjagerij. De ambitie om de kwaliteit van de toen nog zogeheten zwakzinnigenzorg te verbeteren, mag hem zeker niet worden ontzegd. En dat hij daarin, tezamen met een op familiaire leest geschoeide vertrouwensclan, zeer wel is geslaagd, mag evenmin onvermeld blijven.

Dat daarbij onze paden, maar ook degens, zich regelmatig kruisten, is eveneens een feit dat in de hieraan voorafgaande afleveringen uitgebreid aan de orde is gekomen. Het feit dat ik minder gevoelig en geporteerd was voor/van die familiaire clan in engere zin, heeft er zeker en vast toe bijgedragen dat onze verstandhouding aan wisselende kwaliteit onderhevig is geweest. In engere zin waren we aan mekaar verbonden middels een gentlemen’s agreement over een afwijkende constructie qua organisatiestructuur. Dat dit agreement gedurende een bepaalde, minder prettige periode minder des gentlemen’s was, heb ik hier en hier uitvoerig beschreven.

Maar eind goed, al (nou ja, het meeste) goed. Ik ben als een moderne psychiatrische patiënt weer gerehabiliteerd en heb het nodige bij- en afgeleerd. Dat ik wel grotendeels dezelfde ben gebleven, kunt u hopelijk uit mijn geschriften opmaken, maar dat geldt zeker ook voor Ad Hendriks. Ter ere van zijn zilveren Severinus-jubileum mocht ik hem reeds columnistisch toespreken. Als pater familias deed ie in  figuurlijke zin wel aan gezinsuitbreiding middels de uitbouw van zowel de zorgkwaliteit als de woonaccommodatie. Daarbij, het mag niet genoeg worden benadrukt, onvoorwaardelijk gesteund door een selecte groep trouwe vazallen. Waarvan de enige voorname Veldhovenaar (maar geboren Skijndelnaar) die erin is geslaagd om bij leven en welzijn een straat én parkeergarage naar zich te laten vernoemen, een aparte vermelding verdient.

Dat deze in menig opzicht wat al te familiaire benadering niet altijd en voor iedereen een onverdeeld succes en genoegen is geweest, zal in mijn verdere beschouwingen zeker nog te berde worden gebracht. Dat laat onverlet dat de verdiensten van Ad Hendriks voor Severinus groot zijn geweest. En zoals het in een goed huwelijk betaamt, ook omgekeerd. Want wat en waar was hij geweest zonder Severinus? En als het aan hemzelf had gelegen, was de hechte relatie voortgezet. De ‘iets oudere jongeman’ van toen in de bus, blijkt nogal wat ouder in werkelijkheid, want AOW-gerechtigd. En daar wordt ie, tegen zijn zin en wil in, aan gehouden. Het zou een mooie AH-erlebnis zijn om de cirkel rond te krijgen, maar ook al hebben we nu beiden zeeën van reistijd, ik denk niet dat we nog ooit samen in de bus zullen zitten.

Een grootscheepse receptie, waarop zijn glimmende schedel door een zwarte paraplu werd beschermd tegen het licht dat over zijn glanzende carrière scheen, viel hem zwaar ten deel. Misschien dat dit sonnet tot troost heeft aangezet.
De koning heeft dan wel afstand gedaan van de troon, de geest van het Hendriksiaanse koninkrijk zal nog wel een poos rond blijven waren.

Read Full Post »

Ik heb al eerder bekend dat wij in enigerlei mate niet vrij waren van profileringsdrang. En misschien moet ik deze bekentenis wel tot mezelf beperken. Mijn wars zijn van en aversie tegen de inrichtingsvorm en -cultuur zullen hier zeker mede debet aan zijn geweest. Dat neemt evenwel niet weg dat een zekere mate van gerechtigheid en zelfs van verdienste ons zeker toekomen.

Daarbij is er bij velen een bepaalde stereotiepe, vaak met onderschatting gepaard gaande opvatting ontstaan over de ‘zwaarte’ van het werken in een buitenhuis als de Biezenkuilen. Vanwege de relatief hoge zelfstandigheidsgraad van de bewoners wordt er maar al te snel van uitgegaan dat de begeleiding een makkie is. Maar in acht genomen de sterke persoonlijkheden en moeilijke  karakters; de lang niet altijd harmonieuze, dus conflictueuze onderlinge band; de bij sommigen hardnekkige gerichtheid op de buitenwereld, met als risicofactor een grote mate van beïnvloedbaarheid: dit alles maakt(e) het werk op de Biezenkuilen weliswaar boeiend en enerverend, maar lang niet altijd even gemakkelijk. En dan laten we de bewoners met extra handicaps als zware diabetes, epilepsie en spasticiteit nog buiten beschouwing.

Ook zeker niet iedereen blijkt daarvoor geschikt. Met name jonge mensen hebben vaak moeite met de naar verhouding mondige, eigenzinnige bewoners. Ze zijn het vak ingegaan om te (ver)zorgen, mensen letterlijk te helpen en moeten nu juist een stapje terug doen, wegblijven. Het credo “Hoe minder je in direct helpende zin zelf hoeft te doen, des te beter je je werk doet”, is voor menigeen – en zeker voor een enthousiaste jongere – moeilijk te vatten en vooral lastig in de praktijk te brengen. Dat deze werkinstelling en -methode heel wat voorbereiding, anticipatiekunst, observatievermogen plus evaluatie vergen, dat leren ze hopelijk later, maar helaas velen nooit. Omdat het in de welke begeleidingszorg dan ook nu eenmaal nog steeds schering en inslag is  om te veel en te snel te (willen) helpen en in te grijpen.

Helaas staat daar weer tegenover dat in andere, overschatte zelfstandigheidssituaties, vele wel hulpbehoevenden aan hun vermeende zelfbeschikkingsrechtlot worden overgelaten. Zorg op maat: een veel gebezigde term en beleden visie. Het klinkt zo simpel en vanzelfsprekend, maar de praktijk van alledag laat vrijwel overal zien dat de plank helaas maar al te vaak wordt misgeslagen.

In de volgende editie zal ik beschrijven welke invloed al deze en ook andere facetten/factoren hadden op het reilen en zeilen van Biezenkuilen 8/69 en van mij in het bijzonder gedurende de beginjaren van deze eeuw.

Read Full Post »

Inmiddels zijn we gearriveerd aan het einde van de 20e eeuw. Mijn 25-jarig Severinus-jubileum wordt gevierd en ik loop tegen de 50. Ik werk nog steeds op Biezenkuilen 8/69, maar wordt minstens zoveel in beslag genomen door mijn voetballende zonen en alles daar omheen. In toenemende mate krijg ik te kampen met vermoeidheids- en hoofdpijnklachten. Bovendien bespeur ik bij mezelf dat ik steeds meer tegen mijn werksituatie begin aan te hikken.

De zogenaamde slaapdiensten beginnen me steeds meer op te breken, ook al kan ik deze diensten qua aantal enigszins beperken. In hoeverre dit alles ook samenhangt met en wordt beïnvloed door de alsmaar toenemende inkapseling van Biezenkuilen 8/69 – en dus ook van mijn bewegingsruimte – is moeilijk concreet vast te stellen. Maar het lijdt geen twijfel dat dit een belangrijke factor is (geweest) in het verminderen van mijn werkmotivatie, thans vaak treurig aangeduid als arbeidssatisfactie.

Vanwege de geografische ligging moest Biezenkuilen 8/69 worden toegevoegd aan de zogeheten sector Akkereind, qua locatie het vroegere ’t Honk. Daarmee kregen we/kreeg ik een ander sectorhoofd en sectoroverleg. Ik heb nimmer onder stoelen of banken gestoken dat ik/we bijzonder wel gedijde(n) onder het sectorhoofd en binnen de sector waaraan we, na een aanvangsperiode van relatieve zelfstandigheid, werden gekoppeld. Dat ik zelf inmiddels al lang tot datzelfde Severinus-meubilair behoorde, schuiven we even eronder, maar niet terzijde. Maar zowel de biotoop de Berkt als de daarbij horende personen pasten nu eenmaal beter bij mij/ons dan de meer in zichzelf gekeerde cultuur op ‘t Honk. Natuurlijk is het ook daar gaandeweg gemoderniseerd en genormaliseerd, maar de werkcultuurverschillen bleven in mijn ogen bestaan.

Nu besef ik als geen ander dat het nagenoeg ondoenlijk is om een eenmaal postgevat oordeel later bij te stellen. Anders gezegd: de mens neigt ertoe om veelal slechts oog te hebben voor hetgeen zijn oordeel bevestigt dan wel versterkt. En aangezien ook ik maar een mens ben, sluit ik niet uit dat dit heeft meegespeeld. Dan nog kwam ik, objectief beschouwd, in een wezenlijk andere werk- en overlegcultuur terecht. En niet onbelangrijk: in een totaal andere werkrelatie met mijn nieuwe leidinggevende. Alle mogelijke subjectiviteit en betrekkingswanen ervan afgetrokken, blijft altijd nog een situatie over waarin er veel minder waardering en begrip was voor de buitenhuissituatie in zijn algemeenheid en voor mijn functioneren in het bijzonder. Mijn inschatting daarvan is dat  ‘men’ vond dat ‘wij’ al lang genoeg teveel bewegingsvrijheid hadden gekregen, al veel te lang een uitzonderingspositie hadden bekleed en dat dit maar eens een halt moest worden toegeroepen.

De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat Severinus volop in beweging was om de inrichtingsvorm te verlaten en middels een heus masterplan op weg was naar een revolutionaire omslag qua wonen en werken. De paviljoens werden stuk voor stuk ontmanteld, daarvoor in de plaats kwamen ‘gewone’, zij het op maat en baat  gesneden woonhuizen en het instellingsterrein werd ontsloten. Het begrip omgekeerde integratie deed zijn intrede, waarmee wordt bedoeld dat er naast en tussen de Severinus-woonhuizen particuliere woningbouw werd gepleegd. Niet de ‘abnormale’ integreert tussen de ‘normalen’, maar de ‘normale’ huist tussen de ‘abnormalen’ in. Hoofddoekjes, boerkagezinnen, toupetjes en geblondeerde bleekgezichten, vrolijk door elkaar heen dartelend. Daarmee viel inderdaad de letterlijk buitengewone(n) positie van de buitenhuizen weg. En voor mij dus ook een belangrijk deel van de specifieke affiniteit met en aantrekkelijkheid van het werken in een/dit buitenhuis.

Ps 1. Natuurlijk is alles lezens- en behartenswaardig, maar toch wil ik u in het bijzonder de linkjes onder 25-jarig jubileum en vroegere ’t Honk aanbevelen. Al is het maar op een eventueel later tijdstip. Voor wat het waard is.

Ps 2. In deze periode kom ik ook in aanraking met Kempenhaeghe vanwege mijn structurele vermoeidheids- en hoofdpijnklachten. Waaruit zal blijken dat voor mij de slaapdiensten minder relaxed uitwerken dan ze klinken.

Read Full Post »

We mogen de 21e eeuw niet intreden zonder stil te staan bij het memorabele leven van Harrie en het evenzo gedenkwaardige afscheid hiervan in het bijzonder. Harrie woonde vanaf het prille begin op de Biezenkuilen. Hij was een mongoloïde man, tegenwoordig pleegt men te zeggen: Downistie. Hoe ik over de down up and under-hype denk, zal ik jullie een andere keer vertellen. Zoals alle bewoners van de Biezenkuilen bezat Harrie een behoorlijke mate van zelfstandigheid en zelfredzaamheid, plus een intelligentie te vergelijken met die van een gemiddeld 8-jarige. In een volwassen lichaam, welteverstaan. Tijdens de periode die ik beschrijf, schommelde zijn werkelijke leeftijd  zo rond de veertig.

Harrie was een verwoed aanhanger van het koningshuis, maar vooral voetballiefhebber en bovenal fervent PSV-supporter. Over de mogelijke discrepantie tussen de laatste twee elementen viel met hem absoluut niet te discussiëren. Harrie’s humeur hield dan ook vrijwel gelijke tred met het wel en wee van PSV én met de barometer ten Huize (paleizen) van Oranje. Verder kan hij worden gekarakteriseerd als een doorgaans opgewekte, vriendelijke man met een aan koppigheid grenzende vasthoudendheid. Én hij was een verwoed schrijver/archivaris. Hij was (voor insiders) de John Frederikstadt onder de Severinus-bewoners.

Midden jaren negentig krijgt Harrie lichamelijke klachten die uiteindelijk leiden tot de fatale diagnose: kanker. In een dusdanig(e) vorm en gevorderd stadium, dat hem geen lang leven meer beschoren was. Vrijwel meteen werd, in goed overleg met (voor zover mogelijk) hemzelf, zijn familie en met de instellingsarts, besloten dat we hem, overmacht daargelaten, tot zijn levenseinde toe in eigen huis zouden blijven verplegen en verzorgen.

Harrie had het ‘geluk’ dat zijn achteruitgang redelijk langzaam, doch gestaag verliep. Daarbij had hij een opmerkelijke hoge pijngrens, iets wat zowel een voordeel als een nadeel is. Met dien verstande dat hij  daardoor zijn omgeving (en zichzelf) op het verkeerde been zou kunnen zetten wat betreft de ernst van zijn klachten. Het was voor ons en zijn naasten dus een kwestie van heel goed observeren en signaleren. Maar Harrie maakte het voor zijn omgeving een stuk gemakkelijker door zijn onverwoestbare humeur. Het feit dat hij zeer wel mogelijk ook door zijn verstandelijke beperking zich niet bewust was van de ernst van de situatie en van zijn naderende einde, zou hieraan wel eens mede debet kunnen zijn geweest. Het spreekwoordelijke geluk bij een ongeluk.

Het is een nagenoeg klassiek gegeven dat dit soort dramatische gebeurtenissen vaak positieve aspecten met zich mee brengen. Er is dan vaak sprake van meer onderlinge verbondenheid, een betere samenwerking, een prettiger omgang. Zo ook hier. Niet dat dit hiervóór afwezig was, maar het was anders; intenser, waarachtiger, waardiger. Dat daarvoor kennelijk ernstige, ingrijpende zaken nodig zijn, is een trieste, maar ook wel weer verklaarbare constatering.

Twee situaties zijn me in het bijzonder bijgebleven. De eerste is gerelateerd aan Harrie’s PSV-passie. Connecties binnen Severinus hadden ervoor gezorgd dat PSV-doelman Ronald Waterreus speciaal voor Harrie in de Biezenkuilen op bezoek kwam. Niet in het minst door de zeer betrokken, maar toch ontspannen houding van Waterreus zelf, werd dit voor Harrie een onvergetelijke gebeurtenis. Nou ja, hij vond het zelf eigenlijk ook wel weer vanzelfsprekend dat de doelman bij hem op audiëntie kwam. Als aandenken kreeg Harrie de destijds karakteristieke, groene keeperstrui van Waterreus cadeau. Deze trui heeft Harrie sindsdien tot aan zijn overlijden toe niet meer uitgedaan. Hij is zelfs in deze trui opgebaard. Met veel moeite kregen we het voor mekaar om zo af en toe het kledingstuk aan een kleine wasbeurt te onderwerpen. Maar handen af van Ronald Waterreus!

De tweede vermeldenswaardige situatie was rondom de memorabele Olympische titel van het nationale herenvolleybalteam. Tijdens die zinderende finale tegen Italië  ’s avonds laat, had ik dienst en zat alleen met Harrie voor de buis. Zijn ziekte was toen al in een vergevorderd stadium en hij zakte ook regelmatig even weg. Tegelijkertijd wist ik dat-ie er graag bij wilde blijven en dat-ie net als ik voelde dat er een sensatie in de lucht hing. Bij elk Hollands punt in de beslissende eindfase ontwaakte hij uit z’n lethargie en deden we op z’n ‘volleybals’ de high five. Na dat allerlaatste winnende punt vlogen we mekaar in de armen en hosten al juichend door de woonkamer. Harrie was hierna helemaal op, maar door zijn grauwe, gegrimaste gelaat heen zag ik de voldoening van de triomf.

Niet lang daarna overleed Harrie en wederom was ik in dienst, samen met een collega. In de vroege morgen bleek dat hij moest worden verschoond en ik weet nagenoeg zeker dat hij toen tijdens die verschoning in mijn armen is gestorven. Harrie werd in een kamer van de Biezenkuilen beneden opgebaard, waardoor eenieder die daar behoefte aan had, bij hem binnen kon lopen. De meeste medebewoners maakten hier op een volstrekt natuurlijke wijze gebruik van. Vredig lag hij daar, met keeperstrui aan en met de pen in aanslag. Als het ware  in het harnas gestorven.

Tijdens enkele mooie diensten hebben we van Harrie afscheid genomen. Dat hij nog steeds moge rusten in vrede.

Ps. Natuurlijk mag een tekst van Harrie zelf hier niet ontbreken. Plus de (althans mijn) vertaling/interpretatie ervan.

Read Full Post »


Toch stonden de eindjaren ’90 vooral in het teken van een rigoureuze verbouwing van de Biezenkuilen. Reeds eerder waren er bouwkundige ingrepen verricht en vanwege de bunkerachtige structuur van het gebouw was dat al geen sinecure. Maar nu werd echt de botte bijl worden gehanteerd omdat er duchtig moest worden gerenoveerd. Inzet was om de kamers van de bewoners waar mogelijk te verruimen en om het aantal sanitaire voorzieningen op te schroeven. Waardoor men ofwel een eigen badkamer had, dan wel deze met hooguit twee personen moest delen. Ook de personele accommodatie werd  aanzienlijk verbeterd. Daarnaast werd de woonkamer uitgebreid en opgekrikt met een heuse tuinkamer. Maar de spectaculairste verandering was toch de komst van 4 appartementjes, waarvan 2 inpandig en 2 aangebouwd. Hiervoor kwamen 4 bewoners in aanmerking die qua zelfstandigheid en/of behoefte eraan toe waren om nog meer op zichzelf te wonen.

Ook hieraan is een soortgelijke selectieprocedure voorafgegaan als bij de aanleunwoning Biezenkuilen 69. Zij het dat drie plekken al ‘besproken’ waren. Van één Biezenkuilen-bewoner was van meet af aan duidelijk dat deze  in een aangebouwd appartement zou komen. Verder kwamen van een ander buitenhuis twee bewoners die vanwege hun specifieke karakter en situatie waren geselecteerd. De overigen kregen dus de kans om aan te geven of ze wel dan niet voor een appartement in aanmerking wilden komen, nadat was duidelijk gemaakt welke woonsetting we voor ogen hadden en welke vaardigheden je hiervoor moest bezitten. Uiteindelijk werden het dus twee personen die al woonden op de Biezenkuilen en twee van ‘buitenaf’.

Vanwege de omvang van de verbouwing moesten wij geruime tijd het huis uit. Een enkeling werd elders binnen Severinus ondergebracht, de grootste hap verhuisde samen met de personele bezetting naar de Berkt. Zonder te overdrijven was deze verbouwingsperiode voor mij een crime. Alleen al het feit dat je totaal bent overgeleverd aan de deskundigen en verantwoordelijken, terwijl je er zelf de ballen verstand van hebt en er ook geen invloed op kunt uitoefenen. Ten tweede omdat we weer midden in de inrichtingscultuur terecht kwamen, met alle gevolgen van dien. Mensen die te pas en vooral te onpas zo maar binnenvielen; het aangewezen zijn op centralistische voorzieningen als boodschappen, eten, was; de big brother is watching you-cultuur. Alles waarvoor ik zo allergisch was als de pest, moesten we ons wekenlang laten welgevallen. Maar het doel heiligde de middelen, want we stonden aan de vooravond van een toch wel revolutionaire, trendsettende vernieuwing qua woonproject. Waarmee de Biezenkuilen haar naam als pionier alle eer aan deed.

Die eer komt evenwel voor een groot gedeelte ook de vroeggrijze duif toe, naar wie al bij leven en welzijn een straat in Veldhoven werd genoemd. Hoe voornaam kun je zijn! Mijn direct leidinggevende van destijds was sowieso een belangrijke en erkende initiator van de vele woonbouwkundige vernieuwingen welke binnen Severinus hebben plaatsgevonden. Met recht de Severinus-bouwpastoor!

Er is uitvoerig gebrainstormd over de status en identiteit van de 4 appartementen. Al snel werd vastgesteld dat er weliswaar parallellen qua huisregels en begeleidingsstructuur moesten zijn, maar dat de individuele bewoner, beter gezegd diens begeleidingsbehoefte, leidraad was voor de woonstatus. De ene bewoner diende bijvoorbeeld vooraf zijn bezoek aan het moederhuis aan te kondigen c.q. af te spreken, de andere was vrij om in en uit te lopen. Uiteraard werd en was dit met redenen omkleed. Ook voor de inpandige appartementen was de in- en uitgang buitenom. Gaandeweg leerde de praktijk dat er regelmatig regels en afspraken moesten worden aangepast/bijgesteld. Ook bleek na verloop van tijd dat voor met name één bewoner de appartementsconstructie niet geschikt was. Om hem toch op zijn plek te kunnen laten wonen, moesten we opnieuw een bouwkundige ingreep aanvragen. Gelukkig werd dit, na veel vijven en zessen, uiteindelijk gehonoreerd.

Al met al heeft deze ingrijpende verbouwing de nodige voordelen opgeleverd. De verruiming van de privékamers, de tuinkamer, daarbij gevoegd de sterk verbeterde sanitaire voorzieningen. Toch bleef het met name beneden behelpen voor de twee, meer lichamelijk beperkte bewoners. Het betekende ook dat er nóg minder dan al te doen gebruikelijk sprake was van gemeenschappelijkheid. Doordat er meer ruimte en comfort was op de eigen kamer, verbleef men daar ook vaker. De individualisering zoals die maatschappelijk gezien al geruime tijd was ingetreden, drong onontkoombaar ook steeds meer door in de  geïnstitutionaliseerde samenleving.

Onze insteek was om beide sporen te volgen. Om zowel de voorwaarden te scheppen om zoveel als mogelijk ieders privacy en behoefte aan op zichzelf zijn te waarborgen, als om de gelegenheid te creëren en waar nodig te stimuleren om met anderen te verkeren. Met wisselend succes omdat dit consensus, nuances, inzicht en observatievermogen vergt van zowel de bewoners zelf – die per definitie meer behoefte aan en baat hebben bij eenduidigheid – als van het begeleidingsteam.

Toch mag deze tour de force gerust worden beschouwd als een huzarenstukje en een historische stap in de woonvormontwikkeling  van Severinus in zijn algemeenheid en de Biezenkuilen in het bijzonder. Waarvan akte.

Read Full Post »

We gaan richting het millennium met een Biezenkuilen 8/69 dat langzaam maar zeker wordt ingekapseld door de Severinus-structuur. De uitzonderingspositie en het Pietje Bell-imago geraken steeds meer uit het zicht. Ook in organisatorische en uniformele zin worden we meer en meer in een keurslijf gedwongen. Maar vooralsnog zijn we – en dan met name mijn persoontje – nog wel  gekoppeld aan de sector met de direct leidinggevende waarmee het klikte. Maar voor sectoroverlegsituaties moest ik me bijvoorbeeld steeds vervoegen op De Berkt, ofschoon dit qua geografische ligging niet voor de hand lag.

Die relatieve inkapseling is zeker niet onverdeeld negatief te duiden. Mijn gewaardeerde optreden in de werkgroep ‘organisatieomslag’ bezorgde mij een verstevigde positie in het sectoroverleg en omgekeerd heeft dit overleg mij – en dus ook de Biezenkuilen – wel degelijk het nodige opgeleverd. Er heerste een constructief, bevlogen werk- en overleglimaat waarbij een genoeglijk samenzijn niet uit het oog werd verloren. Mijn positie als relatieve buitenstaander en mijn dienovereenkomstige inbreng werden hier op waarde geschat. De rol van het sectorhoofd was in deze natuurlijk van wezenlijk belang.

De groepen werden woonhuizen, de groepshoofden promoveerden tot meer zelfstandige woonhuiscoördinatoren en ook de functie van verpleeg/begeleidkundige kreeg meer cachet en inhoud in de vorm van zorgcoördinator. In deze rol had je de zorgcoördinatie over een of meerdere bewoners/cliënten en was je de spil in het cliëntsysteem, dat verder nog bestond uit de cliënt zelf natuurlijk en diens wettelijke vertegenwoordiger. Overigens zal ik het in het vervolg alleen over ‘de bewoner’ hebben, omdat dit beter aansluit bij de zo normaal mogelijke woonsituatie.

Van elke bewoner werd ook een levensverhaal geschreven, waaruit en waaraan dan de zorgbehoefte respectievelijk werd gedestilleerd en gekoppeld. Op zich was dit een evenzeer respectvolle als doelmatige zorgvorm, maar in de praktijk bleek toch vaak dat menige zorgcoördinator moeite had met het zowel inhoudelijk als praktisch vormgeven ervan. Zo blijkt telkens weer opnieuw dat de meeste werkenden in de zorg en verpleging worstelen met het opstellen van zorg- of verpleegplannen en het implementeren ervan.

Het is van alle tijden en geledingen dat daar tegenaan wordt gehikt. En dit echec heeft, net zoals het succes, vele vaders. Deels is het een kwaliteits- en opleidingsprobleem. Goed schrijven en formuleren is een kunst op zich en is kennelijk weinigen gegeven. En dat beperkt zich zeker niet slechts tot de lager opgeleiden. Ook de taalvaardigheid van menig – durft u het aan?‘hoog’ opgeleide is niet om over naar huis of waarnaar dan ook te schrijven.

Dat is uiterst merkwaardig, omdat rapporteren een essentieel onderdeel is van de zorgverlening. Op basis van rapportages worden verstrekkende conclusies getrokken, cruciale besluiten genomen en mensen dan wel instanties gediagnosticeerd, gesubsidieerd of gediskwalificeerd. Het is dan ook zowel een raadsel als een schande dat hier zo weinig aandacht aan wordt besteed. Toch is hier meer aan de hand.

In alle bescheidenheid, enige taalvaardigheid kan mij niet worden ontzegd. Desondanks heb ook ik regelmatig aangehikt tegen het maken van zorg/werkplannen en alles wat hieruit voortvloeide. In mijn geval – en ook bij vele anderen, weet ik uit ervaring – kwam dat vooral door de vaak cynische omgang van de organisatie met deze methodiek. De plannen en protocollen waren slechts een middel om de productie op te krikken en gefinancierd/gesubsidieerd te krijgen. Of om de inspectie gerust te stellen. Was dit doel eenmaal bereikt, dan waren de inhoud en verwezenlijking van nul en generlei waarde.

Daar kwam bij dat de methodiek, de vorm op zich, vaak de inhoud, de behoefte en de noodzaak oversteeg. Anders benaderd: de kernpunten waren normalisatie en integratie, maar dit werd dan in een veel te duur jasje gestoken, met een veel te elitair sausje overgoten, waardoor het de lading niet meer, of juist overdreven, dekte. De onwil om te differentiëren, dan wel de drang om te uniformeren, was hier mede debet aan. Ter verduidelijking: ofschoon de verstandelijk beperkte medemens vaak over één kam wordt geschoren, zijn er in vele soorten en toonaarden. Van nauwelijks beperkt tot zwaar gehandicapt, met alle mogelijke variaties daartussenin. Het zijn net mensen. Toch wordt veelal een en dezelfde zorgplanmethodiek op eenieder toegepast.

Al deze elementen kweken weerzin. Frustreren, omdat iets moet terwijl  je wordt overvraagd of waar je het nut niet van inziet. Of waarvan je weet dat men er uiteindelijk toch niks mee doet, in elk geval nalaat te stimuleren, te motiveren en te controleren dat het ook in de praktijk wordt gebracht. Dit leidt tot nihilisme en fatalisme en dat is de doodsteek voor (het doelmatig gebruik van zorgplanmethodiek in) de zorg- en hulpverlening.

Niettemin was men, zeker in de sector waartoe wij behoorden, enthousiast en vol goede moed in de weer om de zorg te moderniseren, normaliseren en individualiseren. Ik kijk dan ook alleszins met genoegen terug op deze episode in mijn Severinus-bestaan. De post-organisatieomslagperiode, zogezegd. Helaas werd steeds meer duidelijk en onvermijdelijk dat we zouden moeten gaan verkassen naar de sector die qua locatie en organisatie meer comme il faut was. En uniformiteit is nu eenmaal dé pijler waarop een instelling denkt te moeten berusten. Ofwel: hoed u voor het precedent, want dat geeft alleen maar gelazer in de tent!

Ps. Laat u vooral niet na om op de legendarische foto van het zeer gevarieerde, heterogene voetbalteam te klikken voor een scherpere versie. Het verhaal van en rondom deze unieke afbeelding vindt u hieronder. Nog steeds zijn niet alle personen geïdentificeerd. Daarom een oproep aan mijn inmiddels ongetwijfeld talloze lezers bij Severinus om iedereen op deze foto een naam te geven.

Read Full Post »


Voorafgaand aan de totstandkoming van ‘aanleunwoning’ Biezenkuilen 69, heeft zich Severinus-breed een aantal ontwikkelingen voorgedaan die niet onvermeld mogen blijven. Vanaf de beginjaren ’70 tot aan de jaren ’90 hadden we twee locaties, ’t Honk en De Berkt, spraken we van paviljoens, later van woonerven. Die werden geleid door een hoofd met assistent. Enige tijd lang completeerde een pedagogisch medewerkster (was steevast, maar niet altijd een ster) het triootje. In den beginne was er  ook assistentie voor het hoofd v/d verpleging. Om het koppie erbij te houden, denk ik. Ik meen zelfs dat de functionaris, die als een rode draad door mijn Severinus-memoires loopt, deze assistentfunctie bekleedde ten tijde van mijn Severinus-entree.

De directie was eerst nog een Januskop in de personen van een geneesheer- en een economisch directeur, maar werd alras eenzijdig onthoofd. Hierna was aanvankelijk de geneesheer stevig in de weer, waarna het bewind zoetjesaan een meer sociaal-maatschappelijk en vakinhoudelijk gezicht kreeg. Overigens heeft dit heel wat voeten in aarde gehad, met dien verstande dat het op goede voet staan met onze rode-draad-functionaris te allen tijde een voordeel, zo niet voorwaarde is geweest. Het toezicht werd gehouden door Het Bestuur, zoals toen en nog steeds te doen gebruikelijk, bestaande uit overwegend lokale notabelen. Heden ten dage spreekt men liever van een Raad van Toezicht.

Dit als opmaat voor een memorabele fase in mijn Severinus-bestaan. Want in 1991 moest de organisatiestructuur op de schop. Daarvoor werd een werkgroep in het leven geroepen die zich drie dagen lang moest verschuilen in de barre burelen van de Hogeschool te Eindhoven. Een zwaar euforisch eufemisme, want het enige ‘hoge’ waren de door ons bezette, drie bovenste etages van het voormalige Philips-kantoor tegenover de Witte Dame.

Het was sowieso opmerkelijk dat ik hiervoor was aangezocht. Al  sloot het wel weer naadloos aan bij mijn rehabilitatie, welke ik hier al eerder heb beschreven. Ik denk ook dat mijn relatieve-buitenstaander-toch-betrokken-positie in dit kader en gezelschap een pre was.

Vraag me niet om een gedetailleerde, concrete beschrijving van het proces. Daarvoor is het te lang heen en schiet mijn geheugen nu eenmaal schromelijk tekort. Wel heb ik in retrospectieve zin een positief gevoel aan deze intensieve exercitie overgehouden. Want afgezien van inhoud en resultaat en aangezien we daar meestentijds hebben stilgezeten, is er alleszins serieus en fanatiek gebrainstormd. Althans in mijn herinnering was er bij menigeen een sterke wil om een klus te klaren. Misschien zelfs wel het gevoel/besef om een stukje Severinus-historie te schrijven.

We zaten op bestuurlijk managementniveau in een woeligwarrige periode.  De  geneesheerschappij was dan wel voorbij, maar  de huidige vrijheidsrevoluties in  de Maghreb (zullen) bewijzen dat je van een overheersing niet alleen uiterst moeizaam geneest, maar vaak ook nog de nodige ziektes oploopt. Dat was bij Severinus niet anders. We hadden een snel-er-van-tussenpaus, een (voor krasse insiders) duo-psycholoog-Ad-interim-periode, kortom: Severinus zwalkte als de Titanic in haar laatste uren.

Toen de werkgroep aantrad, bestond het Management Team (MT) uit slechts twee personen: de net aangestelde directeur en het hoofd Bewonerszorg (jawel, daar hebben  we de vleesgeworden rode draad weer te pakken!). De paviljoen/woonerfstructuur was al verlaten en men wilde naar diensten (later sectoren) met een eigen secretariële ondersteuning. De sectorhoofden moesten ook deel uit gaan maken van het MT, waardoor er een veel breder verantwoordelijkheidsdraagvlak werd gecreëerd. Deze zaken, het transformeren van de assistent-woonerf/diensthoofden in zogeheten verpleegkundig staffunctionarissen, plus het verzelfstandigen van woongroepen/huizen en de leidinggevenden hiervan, waren dé kernpunten van onze missie.

In feite moest men van (de functie van) de assistenten af, maar kon (lees wilde) men geen afscheid nemen van de personen in kwestie. Iedereen moest binnenboord blijven. Op zich een loffelijk streven, mits dan wel klare wijn werd geschonken. Want in mijn ogen was dit dé gelegenheid om zowel het individu als de organisatie klaarheid te verschaffen over ’s mens functioneren. Sterker nog: het was en is de plicht van de verantwoordelijken om hierover een duidelijk standpunt in te nemen. In algemeen belang  én dat van de persoon zelf. Een klassiek kritiek thema, waarover binnenkort meer in de slotaflevering.

Read Full Post »

Er moest als het ware een functie worden uitgevonden; een staffunctie die dus niet meer in de lijn der bevelstructuur, maar in de advisering en ondersteuning lag. Dit was natuurlijk een gekunstelde, gezochte constructie. Een omkering van de logica. Je hebt werkzaamheden en daar zoek je een functionaris/persoon bij/voor. En dus niet andersom. Evenwel konden deze personen natuurlijk niet zomaar aan de deur worden gezet. Ofschoon de brainstorm gaandeweg duidelijk maakte dat sommigen daarvoor wel degelijk in aanmerking kwamen. Of waarvan het in elk geval zeer de vraag was of hij/zij voor de beoogde functie geschikt zou zijn. Maar geheel conform de ingebakken Severinus-cultuur werden zowel de spreekwoordelijke kool als geit gespaard.

Wat ik mij van deze exercitie in elk geval levendig herinner, is dat ik herhaaldelijk op het belang van deze man-en-paard(sorry dames)-communicatie heb gehamerd. Ik vond en vind het onbetamelijk – en daarbij contraproductief – dat mensen in de waan worden gelaten wat betreft hun functioneren. Maar al te vaak wordt dit met de mantel der liefde, lees lafhartige gemakzucht, bedekt.

Het behoeft geen betoog dat mijn hartstochtelijke pleidooi voor transparante communicatie – nog vóórdat dit in de mode was – in de verdere praktijk en waan van alledag nauwelijks weerklank vond. Bovendien verwerd de nieuwe staffunctie in menig geval tot een veredelde assistentfunctie onder invloed van de prioriteiten en kwaliteiten van de staffunctionaris zelf, maar vooral die van het dienst/sectorhoofd. Overtuigd als ik wel degelijk was van het nut van een dergelijk soort functie, heb ik er later zelfs nog een gooi naar gedaan. Nog in de roes van de Wiedergutmachung en hiertoe aangespoord door de rode-draad-functionaris. Het betrokken sectorhoofd behoefde echter een andersoortige assistentie, waaraan ik niet kon en ook niet wilde voldoen.

Neemt niet weg dat ik met voldoening terugkijk op deze tour de force, want al onze bevindingen en aanbevelingen zijn overgenomen en vormen nog steeds de basis van de organisatiestructuur waarop Severinus is gestoeld. De toch weer halfslachtige communicatie en het niet effectief inhoudelijk garanderen van de staffunctie ten spijt, is het toch een van de weinige keren geweest dat ik mij Severinus-breed echt betrokken en ook gewaardeerd heb gevoeld. Het volle besef dat dit statement minstens net zoveel zegt over mijzelf als over (de) Severinus(verantwoordelijken), maakt het daarom niet minder waar.

Navraag en informatieuitwisseling over dit stukje geschiedschrijving hebben mijn perceptie deels gecorrigeerd en een aantal zaken dan wel bevestigd, gerectificeerd of blootgelegd. Hoe turbulent de periode hieraan voorafgaand – en hoe gewenst dus de exercitie was. Dat diezelfde turbulentie zelfs de exacte herinnering vertroebelt van degene die destijds een spilfunctie bekleedde en dat nu nog steeds doet. Dat sommige participanten je nog levendig bij staan en anderen nagenoeg zijn uitgewist. Dat Severinus qua personeelszaken het hoofd er lang niet altijd bij had. Dat het toenmalige gevoel Severinus-historie te gaan schrijven c.q. te hebben geschreven, nog niet eens zo’n gek gevoel is geweest. In aanmerking nemende dat het merendeel der werkgroepresultaten tot op de dag van vandaag in de Severinus-organisatie is ingebed.

Maar alvorens we aanbelanden bij de dag van vandaag, valt er nog heel wat te registreren, memoreren en interpreteren. Want na(ast) dit vitale stukje geschiedenis ging mijn zorgelijk bestaan ‘gewoon’ verder en kan ik voorlopig nog wel voort met historische hysterie – of vice versa – te schrijven. Al zal ik dat dan zonder deze, in vele opzichten opmerkelijke werkgroep moeten doen.

Read Full Post »

Older Posts »

%d bloggers liken dit: