Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Mazuro’

Links Alphonso Joseph D’Abruzzo, beter bekend als Alan Alda en waarschijnlijk nóg beter als Hawkeye Pierce uit de memorabel legendarische tv-serie M*A*S*H. Voortgekomen uit de gelijknamige speelfilm, waarin good old Donald Sutherland de rol van Arendsoog op zich nam. Alleen het grappigste personage uit de speelfilm, Radar, werd in de tv-serie door dezelfde acteur (Gary Burghoff) vertolkt.
Rechts Arnoud Boot. Hoogleraar financiële markten, wat dat ook moge betekenen. Professor, doctor, econoom en actueel tv-hoofd in crisistijden bij o.a. publiekstrekkers als DWDD en Pauw & Witteman. Er is een leeftijdsverschil van 24 jaar ten ‘voordele’ van Arnoud, die dan ook sprekend lijkt op de jonge Alan, zonder hen letterlijk op elkaar af te stemmen. Want Boot mist ten enenmale het ongeëvenaard karakteristieke stemgeluid van Hawkeye.


Hoewel Alan Alda’s verreweg grootste bekendheid aan M*A*S*H zit vastgeroest, heeft de man een conduitestaat opgebouwd om u tegen te zeggen. Het is zeer de moeite waard om voorgaande link te bekijken, maar hier zij vermeld dat een jeugdige Joseph, alias Alan, al in Amsterdam op de buis verscheen, samen met zijn vader. Zijn eerste rol was in een tv-serie die ook al in Amsterdam is opgenomen. Hij was bovendien een musical-acteur en (veel) later toneelacteur, regisseur, politiek activist en befaamd presentator van de tv-show Scientific American Frontiers. De erkenning dat er ook een leven als filmacteur na M*A*S*H bestond, kreeg hij met een Oscar-nominatie voor zijn (bij)rol in de film The Aviator. Hij speelde bovendien vele gastrollen in diverse gerenommeerde tv-series.

Evenbeeld Boot heeft uiteraard een minder glamourous curriculum vitae. Hoewel ‘droge’ wetenschappers, economen en andere bètablokkers zich meer en meer hebben ontbolsterd als de nieuwe mediamagneten. En gezien de crisistijden die we ons alsmaar aanpraten, ligt het voor de hand dat met name de financiële experts regelmatig voor de camera’s en microfoons mogen verschijnen. Arnoud Boot is, als gezegd, één van hen. Niet de eerste, maar wellicht wel de beste. Afgaande op zijn biografie althans, want ik ben nu eenmaal meer van het zogeheten alfabetweten. Als zodanig spreekt mij aan dat de hooggeleerde professor het solidariteitsbeginsel aanhangt en bovendien migratie-minded is. En vindt dat we weliswaar de nodige kansen hebben gemist, maar desondanks moeten beseffen en waarderen dat we al met al in een best land leven. En Arnoud kan het weten, want is wel vaker op de harde weg geweest, zoals wij het hier in het zonnige zuiden des vaderlands plegen uit te drukken.

Hoezeer Alan Alda en Arnoud Boot qua persoon en métier ogenschijnlijk ook mogen verschillen – wanneer je zó sprekend op elkaar gelijkt, dan móeten er welhaast persoonlijke overeenkomsten zijn. Voor wie er oog voor heeft, zijn die met enige fantasie ook wel degelijk te herkennen. Mijn taak was het om dit in evenbeeld te brengen.

Ps. ‘Stom’ toevallig schoof zojuist onze financiële marktconforme mediamagneet Arnoud Boot aan bij Buitenhof. Vergezeld van de al even vertrouwenwekkende Herman Wijffels. Ze werken samen in/aan een ‘duurzaam financieel laboratorium’, dat hoegenaamd  uiteraard een Engelse variant kent. Boot en Wijffels, de nieuwe ecologonomen. Nu nog een fatsoenlijk logo en het is slechts een kwestie van tijd dat duurzaam gelijk staat aan spaarzaam. 

Read Full Post »

De 25e, soms overbezorgde, dan weer onwelriekende, maar altijd met een beetje ketchup overgoten editie over mijn werkende wel en wee in de zorgsector. Met een openingszin die zowel mijn ietwat statige stijl als dit jubileum markeert en karakteriseert. Mijn hemel, de 25e! Dat is bijna een aflevering per werkjaar. Zeker voor wat betreft mijn Severinus/Biezenkuilen-carrière.

Want we zijn inmiddels aanbeland bij de beginjaren van de 21e eeuw. In het najaar van 2003 zou de moeder aller buitenhuizen van Severinus haar zilveren jubileum vieren. Het mijne had ik er al een paar jaar op zitten. Niet verrassend was ik nog het enige teamlid dat vanaf het begin af aan de Biezenkuilen trouw was gebleven. Ik blijf een liefde nu eenmaal een liefde lang trouw. In de ogen van menigeen was ik eraan vastgeroest. En eerlijk gezegd voelde ik zelf ook de slijtage aan den lijve beklijven. Hoewel de woonhuiscoördinator nog steeds een meewerkende leidinggevende was, draaide ik wel aanmerkelijk minder slaapdiensten. Mijn baan werd meer en meer een kantoorbaan, met dien verstande dat het in slaapdienst weekendwerken bleef bestaan. Ook nam ik regelmatig zitting in commissies en werkgroepen.

Stiekem hoopte, zeg maar gerust rekende, ik op een geschikt aanbod voor het restant van mijn Severinus-loopbaan. Want inderdaad, gevoelsmatig was ik al aan het afbouwen, aan het afscheid nemen, zonder dat ik concreet wist wat dan te doen; laat staan dat ik – modermistisch geformuleerd – proactief bezig was in dit opzicht. Hoog- en lankmoedig als ik was, speculeerde ik erop dat me wel iets in de schoot geworpen zou worden. Al dan niet vanuit mijn oude, vertrouwde buitenhuisje als basis en zo dacht ik het wel uit te kunnen zingen tot aan mijn pensioentje. Want aan voldoende vrije tijd ontbrak het niet en daarbij gebiedt de eerlijkheid me te zeggen, dat ik me ook een tijdlang rijk rekende met een mooie profvoetbalcarrière van mijn jongste zoon. Niet zozeer rijk in materiële zin, maar ik ging ervan uit dat de aantrekkelijke aspecten daarvan in de vorm van dit allemaal te volgen en mee te mogen maken, ruimschoots de sleur en groeiende weerzin omtrent mijn werk zouden compenseren.

Althans, zo redeneerde ik in aanvankelijke zin. Maar niet alleen de voetbalcarrière van zoonlief verliep anders dan verwacht, ook mijn gezondheid ging me steeds vaker en intensiever parten spelen. In hoeverre de psychische component daarin een rol speelde, blijft een kwestie van speculeren. Ongetwijfeld is het feit dat ik er steeds meer tegenaan ging hikken, een cruciale factor geweest. Het jarenlang onregelmatig werken, vooral in nacht- en slaapdiensten, gevoegd bij het te lang blijven hangen op dezelfde werkplek: al deze factoren veroorzaakten bij mij een steeds groeiende, welhaast fysieke weerzin tegen mijn werksituatie. Ik ben er dan ook van overtuigd dat een burn-out zelden voortkomt uit teveel of te hard werken, maar veeleer wordt veroorzaakt door het te lang niet (meer) op de juiste werkplek zitten c.q. door stelselmatig te worden ondervraagd en/of te weinig te worden uitgedaagd. Je kunt gerust stellen dat ik dit in hoge mate heb onderschat.

Hoe dan ook, kip of ei, in 2001 kreeg ik een fikse waarschuwing die mij nóg meer aan het denken heeft gezet en die ik uiteraard op mijn geheel eigen wijze heb beschreven. Waartoe die waarschuwing en al dat denken uiteindelijk hebben geleid, beschrijf ik in de volgende aflevering van mijn, ik besef toch wel steeds zorgwekkender wordend bestaan. Ik beloof u dan ook bij deze dat de luchtige, vrolijke noot ook dan niet zal ontbreken.

Read Full Post »

Noot vooraf Mazuro: Onderstaand gedicht is mij toegestuurd door zus Dineke in een reactie op mijn sonnet Een klip en klinkklare kleindochter. Fraai genoeg om speciaal onder uw aandacht te brengen. Al is het maar om te laten zien dat het helemaal rijmt zonder het te laten rijmen. Met dank aan Dineke en natuurlijk vooral aan Jos Versteegen.

Tramlijn begeerte

Lijn 2. Ik zie de jongen gaan,
hij skeelert door een najaarsdag.
de straat vol blad en kleine meisjes.
De zon lift mee op stekelhaar.

Zijn rugzak is een kunststof wasbeer
die angstig aan zijn schouders kleeft.
Zakmes en sleutels, aan een ring,
slaan ritmisch op zijn korte broek.

Met zwier schaatst hij de tram voorbij,
zijn benen, lang en glinsterend,
zo vreemd en zeldzaam in november.

Lijn 2 scheert langs de jongen, stopt.
Daar is de jongen weer, passeert.
Hij heeft mij zesmaal niet gezien.

Read Full Post »

HET EINDE VAN HET HENDRIKSIAANSE TIJDPERK

Een feuilleton over mijn zorgwekkende loopbaan, dus grotendeels over Severinus Veldhoven, kan en mag niet voorbijgaan aan het recente afscheid van de sedert mensenheugenis vleesgeworden Severinus-directeur. Nu wil ik het gebruik van namen zoveel als wenselijk vermijden in mijn referaten, maar in dit verband laat ik dit principe varen. De aandachtige, maar vooral de meer ingevoerde lezer weet dat de goede man regelmatig de Mazuro-revue is gepasseerd. In allerlei bewoordingen, situaties en kwalificaties.

Ad Hendriks dus. Met pensioen, noodgedwongen op rantsoen, althans qua doen. Onlangs nam hij afscheid – tegen zijn wil, maar als een geslaagde ridder – na een levenslange carrière bij Severinus. Iets eerder begonnen dan ik, beginjaren ’70, om daarna nooit meer, zelfs niet met een andere werkgever/geefster vreemd, laat staan weg te gaan. Althans, voor zover ik weet. En als we hem dan al van polygamie mogen beschuldigen, is dat omdat Severinus zijn tweede vrouw was. Ex aequo op een, beter gezegd.

Onze kennismaking zal ik vast ooit eerder hebben beschreven, maar is té frappant om niet nog eens op te tekenen. In het jaar 1973 kon Nederland veilig gaan slapen omdat schrijver dezes toen (z)onder de wapenen was. Na een verkorte opleiding voor hospik werd ik gestationeerd in Breda. Aangezien ik dacht een permanent poliklinisch kazerneverblijf niet te zullen overleven, ging ik dagelijks per openbaar vervoer van Veldhoven naar Breda. In de eerste bus stapte ook telkens een vroegkalende, iets oudere jongeman in. Op het station Eindhoven scheidden zich dan onze wegen. Nadat ik erin was geslaagd om eervoltijds ontslag uit deze minimilitaire dienst te krijgen, ging ik begin 1974 aan de slag bij de Severinusstichting. Op mijn eerste werkdag stond ik in de badkamer van paviljoen 3, groep 4, toen de deur openging en een klein gezelschap binnentrad onder – toen al – aanvoering van mijn vaste busreiscompaan. Die dus Ad Hendriks bleek te heten. En die vanuit Eindhoven de trein naar Amsterdam nam (tot later onbegrip van Theo Maassen) om aldaar de Sociale Academie te frequenteren. U begrijpt, zoiets schept toch een band.

Dat toen voor de ambitieuzen onder ons de tijd rijp was, heb ik ook reeds uitvoerig uiteengezet. De zwakzinnigheid werd gesepareerd van de psychiatrie, de inrichtingen rezen als paddenstoelen uit de grond en de echte mannen roken hun kans in deze nog allesbehalve geëmancipeerde sector. Je kunt Ad Hendriks gevoeglijk de personificatie van dit specimen noemen. En ik zou hem onrecht aandoen wanneer ik hem alleen maar zou betichten van statuszucht en baantjesjagerij. De ambitie om de kwaliteit van de toen nog zogeheten zwakzinnigenzorg te verbeteren, mag hem zeker niet worden ontzegd. En dat hij daarin, tezamen met een op familiaire leest geschoeide vertrouwensclan, zeer wel is geslaagd, mag evenmin onvermeld blijven.

Dat daarbij onze paden, maar ook degens, zich regelmatig kruisten, is eveneens een feit dat in de hieraan voorafgaande afleveringen uitgebreid aan de orde is gekomen. Het feit dat ik minder gevoelig en geporteerd was voor/van die familiaire clan in engere zin, heeft er zeker en vast toe bijgedragen dat onze verstandhouding aan wisselende kwaliteit onderhevig is geweest. In engere zin waren we aan mekaar verbonden middels een gentlemen’s agreement over een afwijkende constructie qua organisatiestructuur. Dat dit agreement gedurende een bepaalde, minder prettige periode minder des gentlemen’s was, heb ik hier en hier uitvoerig beschreven.

Maar eind goed, al (nou ja, het meeste) goed. Ik ben als een moderne psychiatrische patiënt weer gerehabiliteerd en heb het nodige bij- en afgeleerd. Dat ik wel grotendeels dezelfde ben gebleven, kunt u hopelijk uit mijn geschriften opmaken, maar dat geldt zeker ook voor Ad Hendriks. Ter ere van zijn zilveren Severinus-jubileum mocht ik hem reeds columnistisch toespreken. Als pater familias deed ie in  figuurlijke zin wel aan gezinsuitbreiding middels de uitbouw van zowel de zorgkwaliteit als de woonaccommodatie. Daarbij, het mag niet genoeg worden benadrukt, onvoorwaardelijk gesteund door een selecte groep trouwe vazallen. Waarvan de enige voorname Veldhovenaar (maar geboren Skijndelnaar) die erin is geslaagd om bij leven en welzijn een straat én parkeergarage naar zich te laten vernoemen, een aparte vermelding verdient.

Dat deze in menig opzicht wat al te familiaire benadering niet altijd en voor iedereen een onverdeeld succes en genoegen is geweest, zal in mijn verdere beschouwingen zeker nog te berde worden gebracht. Dat laat onverlet dat de verdiensten van Ad Hendriks voor Severinus groot zijn geweest. En zoals het in een goed huwelijk betaamt, ook omgekeerd. Want wat en waar was hij geweest zonder Severinus? En als het aan hemzelf had gelegen, was de hechte relatie voortgezet. De ‘iets oudere jongeman’ van toen in de bus, blijkt nogal wat ouder in werkelijkheid, want AOW-gerechtigd. En daar wordt ie, tegen zijn zin en wil in, aan gehouden. Het zou een mooie AH-erlebnis zijn om de cirkel rond te krijgen, maar ook al hebben we nu beiden zeeën van reistijd, ik denk niet dat we nog ooit samen in de bus zullen zitten.

Een grootscheepse receptie, waarop zijn glimmende schedel door een zwarte paraplu werd beschermd tegen het licht dat over zijn glanzende carrière scheen, viel hem zwaar ten deel. Misschien dat dit sonnet tot troost heeft aangezet.
De koning heeft dan wel afstand gedaan van de troon, de geest van het Hendriksiaanse koninkrijk zal nog wel een poos rond blijven waren.

Read Full Post »

Ik heb al eerder bekend dat wij in enigerlei mate niet vrij waren van profileringsdrang. En misschien moet ik deze bekentenis wel tot mezelf beperken. Mijn wars zijn van en aversie tegen de inrichtingsvorm en -cultuur zullen hier zeker mede debet aan zijn geweest. Dat neemt evenwel niet weg dat een zekere mate van gerechtigheid en zelfs van verdienste ons zeker toekomen.

Daarbij is er bij velen een bepaalde stereotiepe, vaak met onderschatting gepaard gaande opvatting ontstaan over de ‘zwaarte’ van het werken in een buitenhuis als de Biezenkuilen. Vanwege de relatief hoge zelfstandigheidsgraad van de bewoners wordt er maar al te snel van uitgegaan dat de begeleiding een makkie is. Maar in acht genomen de sterke persoonlijkheden en moeilijke  karakters; de lang niet altijd harmonieuze, dus conflictueuze onderlinge band; de bij sommigen hardnekkige gerichtheid op de buitenwereld, met als risicofactor een grote mate van beïnvloedbaarheid: dit alles maakt(e) het werk op de Biezenkuilen weliswaar boeiend en enerverend, maar lang niet altijd even gemakkelijk. En dan laten we de bewoners met extra handicaps als zware diabetes, epilepsie en spasticiteit nog buiten beschouwing.

Ook zeker niet iedereen blijkt daarvoor geschikt. Met name jonge mensen hebben vaak moeite met de naar verhouding mondige, eigenzinnige bewoners. Ze zijn het vak ingegaan om te (ver)zorgen, mensen letterlijk te helpen en moeten nu juist een stapje terug doen, wegblijven. Het credo “Hoe minder je in direct helpende zin zelf hoeft te doen, des te beter je je werk doet”, is voor menigeen – en zeker voor een enthousiaste jongere – moeilijk te vatten en vooral lastig in de praktijk te brengen. Dat deze werkinstelling en -methode heel wat voorbereiding, anticipatiekunst, observatievermogen plus evaluatie vergen, dat leren ze hopelijk later, maar helaas velen nooit. Omdat het in de welke begeleidingszorg dan ook nu eenmaal nog steeds schering en inslag is  om te veel en te snel te (willen) helpen en in te grijpen.

Helaas staat daar weer tegenover dat in andere, overschatte zelfstandigheidssituaties, vele wel hulpbehoevenden aan hun vermeende zelfbeschikkingsrechtlot worden overgelaten. Zorg op maat: een veel gebezigde term en beleden visie. Het klinkt zo simpel en vanzelfsprekend, maar de praktijk van alledag laat vrijwel overal zien dat de plank helaas maar al te vaak wordt misgeslagen.

In de volgende editie zal ik beschrijven welke invloed al deze en ook andere facetten/factoren hadden op het reilen en zeilen van Biezenkuilen 8/69 en van mij in het bijzonder gedurende de beginjaren van deze eeuw.

Read Full Post »

Inmiddels zijn we gearriveerd aan het einde van de 20e eeuw. Mijn 25-jarig Severinus-jubileum wordt gevierd en ik loop tegen de 50. Ik werk nog steeds op Biezenkuilen 8/69, maar wordt minstens zoveel in beslag genomen door mijn voetballende zonen en alles daar omheen. In toenemende mate krijg ik te kampen met vermoeidheids- en hoofdpijnklachten. Bovendien bespeur ik bij mezelf dat ik steeds meer tegen mijn werksituatie begin aan te hikken.

De zogenaamde slaapdiensten beginnen me steeds meer op te breken, ook al kan ik deze diensten qua aantal enigszins beperken. In hoeverre dit alles ook samenhangt met en wordt beïnvloed door de alsmaar toenemende inkapseling van Biezenkuilen 8/69 – en dus ook van mijn bewegingsruimte – is moeilijk concreet vast te stellen. Maar het lijdt geen twijfel dat dit een belangrijke factor is (geweest) in het verminderen van mijn werkmotivatie, thans vaak treurig aangeduid als arbeidssatisfactie.

Vanwege de geografische ligging moest Biezenkuilen 8/69 worden toegevoegd aan de zogeheten sector Akkereind, qua locatie het vroegere ’t Honk. Daarmee kregen we/kreeg ik een ander sectorhoofd en sectoroverleg. Ik heb nimmer onder stoelen of banken gestoken dat ik/we bijzonder wel gedijde(n) onder het sectorhoofd en binnen de sector waaraan we, na een aanvangsperiode van relatieve zelfstandigheid, werden gekoppeld. Dat ik zelf inmiddels al lang tot datzelfde Severinus-meubilair behoorde, schuiven we even eronder, maar niet terzijde. Maar zowel de biotoop de Berkt als de daarbij horende personen pasten nu eenmaal beter bij mij/ons dan de meer in zichzelf gekeerde cultuur op ‘t Honk. Natuurlijk is het ook daar gaandeweg gemoderniseerd en genormaliseerd, maar de werkcultuurverschillen bleven in mijn ogen bestaan.

Nu besef ik als geen ander dat het nagenoeg ondoenlijk is om een eenmaal postgevat oordeel later bij te stellen. Anders gezegd: de mens neigt ertoe om veelal slechts oog te hebben voor hetgeen zijn oordeel bevestigt dan wel versterkt. En aangezien ook ik maar een mens ben, sluit ik niet uit dat dit heeft meegespeeld. Dan nog kwam ik, objectief beschouwd, in een wezenlijk andere werk- en overlegcultuur terecht. En niet onbelangrijk: in een totaal andere werkrelatie met mijn nieuwe leidinggevende. Alle mogelijke subjectiviteit en betrekkingswanen ervan afgetrokken, blijft altijd nog een situatie over waarin er veel minder waardering en begrip was voor de buitenhuissituatie in zijn algemeenheid en voor mijn functioneren in het bijzonder. Mijn inschatting daarvan is dat  ‘men’ vond dat ‘wij’ al lang genoeg teveel bewegingsvrijheid hadden gekregen, al veel te lang een uitzonderingspositie hadden bekleed en dat dit maar eens een halt moest worden toegeroepen.

De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat Severinus volop in beweging was om de inrichtingsvorm te verlaten en middels een heus masterplan op weg was naar een revolutionaire omslag qua wonen en werken. De paviljoens werden stuk voor stuk ontmanteld, daarvoor in de plaats kwamen ‘gewone’, zij het op maat en baat  gesneden woonhuizen en het instellingsterrein werd ontsloten. Het begrip omgekeerde integratie deed zijn intrede, waarmee wordt bedoeld dat er naast en tussen de Severinus-woonhuizen particuliere woningbouw werd gepleegd. Niet de ‘abnormale’ integreert tussen de ‘normalen’, maar de ‘normale’ huist tussen de ‘abnormalen’ in. Hoofddoekjes, boerkagezinnen, toupetjes en geblondeerde bleekgezichten, vrolijk door elkaar heen dartelend. Daarmee viel inderdaad de letterlijk buitengewone(n) positie van de buitenhuizen weg. En voor mij dus ook een belangrijk deel van de specifieke affiniteit met en aantrekkelijkheid van het werken in een/dit buitenhuis.

Ps 1. Natuurlijk is alles lezens- en behartenswaardig, maar toch wil ik u in het bijzonder de linkjes onder 25-jarig jubileum en vroegere ’t Honk aanbevelen. Al is het maar op een eventueel later tijdstip. Voor wat het waard is.

Ps 2. In deze periode kom ik ook in aanraking met Kempenhaeghe vanwege mijn structurele vermoeidheids- en hoofdpijnklachten. Waaruit zal blijken dat voor mij de slaapdiensten minder relaxed uitwerken dan ze klinken.

Read Full Post »

Links onze hedendaagse filmdiva Carice van Houten, daarnaast haar Amerikaanse evenbeeld, maar niet evenknie, Kirsten Dunst. Want, niet geheel gespeend van enig chauvinisme, Mazuro schat onze Carice zowel qua artisticiteit als attractiviteit iets hoger in. Maar waar Kirsten is geboren in het beloofde filmland, daar poogt Carice naarstig de Hollywood-bonzen ervan te overtuigen dat zij zeker ook voor dit werk in de wieg is gelegd. De ware actrice heeft vele gezichten. In vele aan- en opzichten, zeker op fotomateriaal, lijken Carice en Kirsten dan ook nauwelijks op elkaar. Maar meent een lookalike-addict eenmaal zijn scoop beet te hebben, dan laat hij (het hem) niet meer los

Gelijkenis wordt vrijwel altijd getroffen op bewegende beelden of in levende lijve. Naar sprekend lijkende foto’s is het echt zoeken. Omdat de stem, de mimiek, de houding nu eenmaal niet in een foto te vatten zijn. Dat Kirsten op Carice lijkt, viel mij op al kijkende naar één van de vele Spider-Man-films. Een mens moet toch wat in z’n vrije tijd, zullen we maar zeggen. Derhalve hieronder twee zogenaamde trailers, waarin beide dames zich prominent profileren.

Carice van Houten is, zoals reeds gememoreerd, onze meest aansprekende en succesvolle filmactrice van dit moment. Het gevaar van overexposure ligt ook bij haar op de loer, maar voorlopig kan althans deze jongen – en met mij vele, al dan niet ritueel, mannelijk geslachtelijken – niet genoeg van haar krijgen. Dat zal zeker en vast ook gelden voor vele vrouwelijke soortgelijken. In vrijwel elke Nederlandse speelfilm is de zo verleidelijk onschuldig ogende actrice een groot niet te vermijden rolmodel. Of het nu draait om een zwartboek, of er komt een vrouw bij de dokter: het script lijkt Carice op het lijf geschreven.

Carice is hot en daarbij ook nog eens van vele markten thuis. Zoals ze ons liet zien in een gedenkwaardige aflevering van Zomergasten, van 2009 alweer. Opmerkelijk is haar muzikale belangstelling. Ze valt op vrij anonieme singer-songwriters. En lijkt ook haar, met velen gedeelde, heimelijke ambitie om zangeres te zijn, te koesteren. In Jan Mulder, onverholen bewonderaar, heeft Carice haar nachtelijke deelgenoot gevonden, maar dat toch vooral omgekeerd.


Kirsten Dunst
dankt dus haar faam, in elk geval bekendheid, met name aan  Spider-Woman. Ze is in deze filmreeks zowel de muze als grote liefde van spindoctor Tobey Maguire. In real life was hun liefde, althans relatie, van veel kortere duur. Tobey’s filmbestaansrecht is wat Mazuro betreft toch vooral zijn memorabele rol in de behartenswaardige film Pleasantville. Maar ook Kirsten Dunsts kwaliteit en rol in de cinema mogen niet worden veronachtzaamd.

Meermalen werd Kirsten onderscheiden/genomineerd. In Wag the Dog van Barry Levinson speelde ze nog een onbeduidend rolletje in een alleszins beduidende film. In Interview with the Vampire: The Vampire Chronicles daarentegen bijten Brad Pitt én Tom Cruise zich op haar(het) stuk, goed voor een Saturn Award, beste film/rol in het horrorgenre. Haar laatste walk of fame was onlangs in Cannes, alwaar Kirsten de prijs voor de beste actrice in de wacht sleepte met haar rol in Melancholica van de omstreden, maar eveneens aanbeden Lars van Trier.

Bij nader inzien moet ik wellicht Kirstens gewicht toch wat hoger inschalen. Carice kent in de ook wat jaartjes jongere Kirsten dus wel degelijk haars gelijke. En zeg nou zelf: het lijkt er toch veel op dat beide dames nog wel even in beeld blijven.

Read Full Post »

« Newer Posts - Older Posts »

%d bloggers liken dit: