Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘management’

Het was nog de tijd van de koffiekamer. Om te pauzeren ging men van de werkplek (groep) af, om in de ruimte die we nu het rookhok zouden noemen, eens lekker te kankeren op Jan, Sjan en alleman. Zolang die maar niet in dezelfde ruimte aanwezig waren. Het kader was daar meestal niet bij, dus scoorde hoog op de kankerladder. Dit populaire, vooral Zuidnederlandse tijdverdrijf, waarbij veel meer over dan met iemand wordt gesproken, heeft mij altijd tegengestaan. Al kost ook mij het moeite om mijn afkomst in dat opzicht te verloochenen. Daarbij heb ik meermalen pijnlijk ervaren hoe mensen je keihard kunnen laten vallen en glashard eerder geuite kritiek ontkennen als de rook in de koffiekamer is opgetrokken en men met de kritiek en de bekritiseerde wordt geconfronteerd.

Ik zat duidelijk niet op mijn plek in die functie en dat was niet alleen vanwege die lachwekkende, maar ook treurige samenloop van omstandigheden. Hoewel ik het spel kende en er zo af en toe ook niet vies van was om het mee te spelen, stond het hoge politiek gekonkelgehalte mij danig tegen. En toonde je zo af en toe je kwetsbaarheid, dan werd je daar bij gelegenheid genadeloos mee om je oren geslagen. Huichelarij, kontenkruiperij en hielenlikkerij vierden hoogtij en de weg omhoog liep doorgaans langs dezelfde, geëikte en gebaande paden. Het OR-lidmaatschap en dat van de volleybalclub vormden niet zelden de opmaat naar een leidinggevende functie en naar opname in de warme schoot van de Severinusfamilie. *

Kijk, volleyen hebben wij voetballers als vanzelfsprekend nooit onder de knie gekregen. Hoogstens de doelmannen onder ons, die nu eenmaal in arren moede de plaats onder de lat innemen, omdat ze niet kunnen voetballen. Een bal met de hand beroeren, dat is hands. Geen wonder dus dat ik als voetbaljunk de bal steevast in het netje deponeerde in plaats van erover. Omdat ik ook al vroeg de goede raad kreeg om niet te gaan ondernemen, bleef ik een ongekroonde prins. Ik paste niet in het profiel en de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik ook de nodige moeite deed om buiten welk profiel dan ook te vallen.

Maar de redding was nabij! De zwakzinnigenzorg was inmiddels vergeven van woon- en leefgemeenschappen voor mensen met een verstandelijke handicap. We hadden de Dennendal-affaire doorleefd en de begrippen integratie, normalisatie en decentralisatie waren bezig aan een onstuitbare opmars. Geen enkele, zichzelf respecterende instelling kon achterblijven, al heeft de praktijk inmiddels geleerd dat wel degelijk menigeen is achtergebleven. Net zo goed als niet weinigen zijn doorgeschoten in hun drang en waan zich te profileren als vooruitstrevend, vernieuwend en baanbrekend. En dit alles ten koste van hun meest kostbare goed: de patiënt, de bewoner, de cliënt. Maar de grondgedachte was legitiem en prijzenswaardig: een zo persoonlijk, normaal en vraaggericht mogelijke woon- en werkomgeving voor onze verstandelijk beperkte medemens.

De (toen nog) Severinusstichting pakte uiteraard de innoverende handschoen op en kocht een stevig, ruimbemeten pand buiten de instellingswijken ’t Honk en de Berkt: Biezenkuilen 8. Aanvankelijk aangeduid als fasehuis, want opgestuwd in de vaart der vernieuwingsdrang, zag men de doorstroom naar een nóg meer zelfstandige en normale woonplek al (nog) voor ogen. Deze jongen werd gevraagd om dit vernieuwingsproject te gaan leiden en coördineren en daar had hij wel oren naar. Sterker nog: het kwam als geroepen en voor even heb ik toen zelfs geloofd dat ons werk inderdaad een roeping is, zoals vele leken – maar ook managers, bestuurs- en directieleden – ons en zichzelve aldoor willen wijsmaken.

Ik werd gered uit de slangenkuil van het kader en het management en kon aan de slag in een kleinschalige werkomgeving met zo weinig mogelijk inrichtingselementen. Met veel eigen verantwoordelijkheid voor zowel succes behalen als jammerlijk falen. Met heel mijn hart en ziel ben ik er ingedoken, al besefte ik toen uiteraard niet dat ik eind 1978 de eerste stappen zette op een route die nagenoeg een werkleven lang in beslag zou nemen. Zeg maar gerust een levenswerk.
Wat er zoal op deze lange route met mij en anderen gebeurde, doe ik een volgende keer weer uit de doeken.

 

Het was evenwel niet alom kommer en kwel. We moeten dit in tijd en perspectief zien. De zeventiger jaren werden groten- en merendeels nog gekenmerkt door sterk hiërarchische restanten uit het burgerlijke tijdperk, terwijl er tegelijkertijd een massale emancipatiebeweging op gang was gekomen. Het is nu eenmaal inherent aan zulkeen dubbelhartige overgangsepisode dat het ontbreekt aan duidelijkheid (gelukkig was het woord ‘transparantie’ toen nog niet in zwang!) en saamhorigheid. Een vacuüm tussen sterk uiteenlopende visies is een ideale voedingsbodem voor gekonkel en gekronkel. (Het kan toch geen toeval zijn dat mijn allereerste Severinus-column het leven zag in De Kronkel, het toenmalige informatieblad?!)
Toch was ook, zeker bij de Severinusstichting, een tendens bespeurbaar die moeizaam, doch onmiskenbaar koerste richting kwaliteitsverbetering van zowel de zorg als het personeelsbeleid. Niet in het minst gestut door onze generatie in het algemeen en onze roemruchte lesgroep in het bijzonder. Waarvan akte.

Read Full Post »

Terecht wordt mij soms verweten dat ik over nagenoeg alles wel iets te zeggen heb. Waarvan akte, al is het maar om aan te geven dat ik mezelf in deze geenszins buitensluit. Echter, enig recht van spreken over buitenhuizen kan mij niet worden ontzegd, sterker nog, ik weet er alles van. Dan ben je bij mij aan het juiste adres, dit past precies in mijn straatje, hier ben ik kind aan huis. De een springt te Hoog, de ander te Laag. Ginds gaat het Bergaf, daar is het Eind in zicht. Elders graaft men kuilen voor een ander en pakt dan de Biezen, om zich uiteindelijk te presenteren als de Nieuwe Kerk.

Elke huidige, zichzelf respecterende Z-instelling heeft haar buitenhuis-project. De meer trendgevoelige inrichtingen beheren socio-woningen. Met welke instelling en in welke richting wordt dit nu (be)geleid? Welke argumenten brengt men in stelling om te onderbouwen dat buitenhuizen onontbeerlijk zijn als woonvorm voor de naar relatieve zelfstandigheid tende­rende geestelijk gehandicapte? Of wellicht zelfs voor de met minder moge­lijkheden gezegende bewoner. Ter motivering hiervan worden de fraaiste, vindingrijkste, maar tegelijkertijd uiterst vage of nietszeggende verklaringen en doelstellingen in elkaar gevlochten. Parmantig poserend bij het nieuw ver­worven buitenstulpje laten hoogwaardigheidsbekleders zich vereeuwigen en inter­viewen in de regionale krantenkolommen en reppen van het vooruitstrevende beleid en karakter hunner instelling. Aldus wordt naar de buitenwereld toe niets nagelaten om te koketteren met – en ik citeer nu – “het zelfstandige en democratische buitenhuis”.

Dit gezegd zijnde door één onzer topfunctionarissen tegen de stand-in van minister Winsemius tijdens hun bezoek aan de Biezenkuilen in het kader van de geïsoleerde festiviteiten. Het op de valreep niet verschijnen van Zijne Excellentie vormde eens te meer het bewijs van het feit dat je uiterst voor­zichtig moet zijn met het prematuur de sier proberen te maken in de publici­teit. Of de Miep Kraak van dit kabinet nu verhinderd was door marathonver­plichtingen of de opname van RUR diende luister bij te zetten, is nog steeds niet geheel duidelijk. Het is overduidelijk dat hij wel iets beters had te doen op dat moment. Maar we dwalen af.

Al deze zeer menselijke gedragingen zijn op zich helemaal niet erg. Ze vormen ook geen enkele bedreiging voor de bestaansgeldigheid van het buiten­huis. Mits het niet bij dit uiterlijk vertoon en deze koketterie blijft. Of nog erger, buitenshuis de democratie en kleinschaligheid met de mond wordt beleden en als stokpaard wordt bereden, terwijl binnenshuis alsmaar dieper in het vlees wordt gesneden. Wie naar buiten toe gewaagt van “zelfstandig en democratisch buitenhuis”, moet niet intern diezelfde zelfstandigheid en democratie weerstreven door alle materiële bobbeltjes trachten glad te strijken. Bobbeltjes die een voorspelbaar en onontkoombaar effect zijn van deze, door hemzelf zo geprezen selfsupporting.

In die trant dacht ik tenminste nog niet zo lang geleden. Nu weet ik dat ik het op zijn plaats en in zijn positie hoogstwaarschijnlijk hetzelfde zou doen. Een centenman past en let nu eenmaal per definitie op de kleintjes en schrijft uniformiteit hoog in het vaandel. Een manager van een groot bedrijf wil rust in de tent. Wil tevreden lachende, fris gewassen, gekapte en geklede cliënten en goed onderhouden huisjes en tuintjes. Is zelfs bereid daarvoor een fiks bedrag te betalen en te reserveren. Zo hoort het ook, dat is zijn werk en daar wordt hij voor betaald.

Ik bedoel maar. Je mag en kunt niet verwachten van het management dat het onrust en verwaarlozing predikt. Want dat is wat het management impliciet verwacht en vreest als er voorstellen worden gedaan om nieuwe, riskante, onbekende wegen in te slaan. In dit geval mogen de woonerfkaders zich ook met ‘management’ aangesproken voelen, hetgeen menigeen onder hen intens zal bevredigen. En eigenlijk, nu we toch aan het projecteren zijn met vakantiekiekjes en dia’s, elke leidinggevende op welk niveau dan ook kent de primaire, afwerende, verdedigende reactie als er iets nieuws wordt voorgesteld. We willen allemaal rust en orde, regelmaat en overzicht. Het is enkel zaak om enerzijds deze rust niet kost wat kost te willen hand­haven en anderzijds je niet te laten afschrikken door deze, meer instinctief behoudzuchtige dan zinnige reactie.

Laat ik het iets anders benaderen. Het is niet aan het management om gewaagde voorstellen te lanceren. Dit moet niet komen van hogerhand en van buitenaf, maar opborrelen vanuit de basis, van binnenuit dus. Iemand die een idee van een ander moet uitvoeren, is per definitie niet gemotiveerd en gedoemd te mislukken. Dat er nu zo weinig creatief wordt gedacht, is dus niet de schuld van het management, want daar­voor is het niet ingehuurd. En als iemand goed weet en doet waarvoor hij is ingehuurd dan is het wel de manager.

Wat zegt u? En de overvolle ideeënbus dan? Oké, u heeft gelijk. Ideeën te over. Doodzonde eigenlijk dat de namen van de verlichte indieners niet meer worden vermeld. Maar eerlijk gezegd zijn het welhaast uitsluitend materiële ideeën, waarvan de idee om het behandelcentrum een meer eigentijdse naam te geven illustratief is voor mijn betoog, om van het zonnebankvoorstel nog maar te zwijgen. Het zijn uiterlijke, secundaire, dus niet wezenlijk belangrijke zaken, energie opslokkend een vér betere zaak waardig. Natuurlijk is de ideeënbus ook min of meer bestemd en ontworpen voor dat soort ideeën, maar een fictieve ideeënbus binnen om het even welke woonsituatie dan ook, zou mijns inziens de vergelijking met het bestaande exemplaar glansrijk (nou ja) doorstaan.

Bouw een paviljoen, noem de gang een straat, de zwarte en witte strepen een zebrapad, geef de groepen een huisnummer en doop het geheel tot woonerf en je hebt, ondanks al deze goedbedoelde pogingen, nog steeds een gestructureerd, hiërarchisch, star en immobiel geheel. Nu hoef ik dit een intelligent, weldenkend persoon natuurlijk niet te ver­tellen, maar ik zou niet graag de functie waarderen van al degenen die of zich toch blind staren op deze schijndemocratische verpakking of tevreden achter­over leunen na deze knieval aan modermistische vormgeving.

Het oogt allemaal fraai, het klinkt allemaal welluidend, maar het verandert niets aan de inhoud. Het leidt zelfs de aandacht af van de kern en versluiert dat wat wezenlijk van belang is: het brengen van de bewoner tot die mate van zelfstandigheid welke hij of zij in zich heeft. Let wel! Dus niet de zelfstandigheid die de begeleidende persoon zelf nodig of belangrijk vindt.

Mocht u denken dat in mijn ogen het managementteam dit fenomeen als zodanig niet onderkent, vergeet het maar. Waar het hen ook aan mag ontbreken, in geen geval aan intellect, inzicht en tactisch vernuft. Ik kan het niet laten om ze telkens weer te vergelijken met ons huidige no nonsense-kabinet dat zich ook zo gaarne profileert als team. Moet u daar ook zo om lachen? Een verzame­ling ‘machtige’ personen met tegenstrijdige belangen en achterbannen, als vriendenploeg naar buiten tredend, pratgaand op de voortreffelijke, onderlinge teamgeest. Ware ik niet zo lui en laf dan zou ik maar wat graag een bijeen­komst afluisteren of notulen ontvreemden. U mag voor u zelf uitmaken wie zich dan zou ontpoppen als de Gijs van Aardenne van het Severinuskabinet. En dan niet enkel letten op uiterlijke gelijkenis alstublieft.

Maar gelijk hebben ze. Waar topmanagers gezamenlijk streven naar een enkel doel (het duidelijk en strak voorschrijven van de Severinus-gedragsregels) daar mogen zij zich een team noemen. En laat ik nu door hebben waarom zij zich zo rigide opstellen! Niet om­dat ze potentaten, behoudend of bekrompen zouden zijn. Welneen. Het is alleen maar om jullie – latente persoonlijkheden, ontluikende creatieve geesten en onderhuids van energie bruisende jongelingen – te prikkelen, uit te dagen tot doorbreking van het starre patroon. Snappen jullie dan niet dat het slechts hun bedoeling is om jullie uit de overgestructureerde en -geprogrammeerde tent te lokken?! Beseffen jullie dan niet dat men terecht concludeert dat wie zich zo gemakkelijk laat afbluffen en intimi­deren, of zich verliest in rancune of persoonlijke frustraties, sowieso te weinig in huis heeft om een kar met verse mest te trekken?!

Laten we een niet-willekeurig voorbeeld nemen. Woongroepen van deze stichting mogen niet op vakantie in het buitenland. Redelijk of belachelijk? Interessante stelling, maar daar gaan we het hier niet over hebben. Aan de orde is hoe je omgaat met zo’n decreet als je een buitenlandse vakantie wel degelijk zinvol acht voor de op jou aangewezen bewoners. Eerste vereiste is natuurlijk dat je op de hoogte bent van de bewuste regel. Tweede vereiste is een gedegen geografische kennis opdat je weet en beseft dat bijvoorbeeld België ook tot het buitenland behoort. Derde vereiste is dat je dit alles weet alvorens je al een Belgische reis hebt geboekt en er zelfs al een vakantie in dit exotische land op hebt zitten.

Kort en goed: een vergelijking met de Biezenkuilen gaat in deze niet op, omdat we simpelweg aan geen van de drie eisen voldeden. Daardoor kan de infantiele benadering van “Wat zij mogen, mogen wij ook” tevens gevoeg­lijk als onzinnig worden bestempeld. En dan heb ik het er nog niet over dat een dergelijke benadering toch op zijn minst dient te zijn voorafge­gaan door de weloverwogen vraag “Kunnen wij wat zij kunnen, en zo ja hebben de bewoners er iets aan?”

Maar nu loop ik vooruit op mijn intenties. U voldoet aan de drie genoemde eisen en dient een verzoek in tot uitzondering op de regel bij de aanvoerder van het managementteam. Primaire, instinctieve reactie: precedent, onrust, risico. Gevreesd wordt: meerdere verzoeken uitmondend in verzoeken tot buitenaardse uitstapjes als ultieme doch logische stap in de schakel buitenhuis – buitenland – buitenaards. “Geacht managementteam. Wij menen dat het buiten(!)gewoon zinvol zou wezen voor de ontwikkeling en ervaringswereld van onze bewoners indien zij een ruimtevlucht konden ondernemen in het kader van de vakantie 1990”. Zie hier wat een symposium ‘Zwakzinnigenzorg anno 2002’ versneld teweeg kan brengen!

Afwijzing dus. Met als enige schrale troost misschien een eervolle vermelding van het oneerbare voorstel in het managementteamverslag. Inmiddels weet je echter dat deze eerste reactie zowel instinctief als tactisch is ingegeven en besef je dat, als je het hierbij laat zitten, de bestuurders met reden mogen vaststellen dat het wederom niet meer omvatte dan een gril, een persoonlijke obsessie of een doelloze provocatie. Dus wat doe je? Je gaat weloverwogen na of het gedane verzoek redelijk en haalbaar is. Je onderbouwt dit met steekhoudende argumenten. Je anticipeert op mogelijke gevolgen, risico’s, neveneffecten en bepaalt of deze verantwoord zijn. Vergeet niet de financiële consequenties en zet dit alles op papier. Zonder schrijffouten, in een vlotte bondige stijl en onderteken vooral niet alleen met je voornaam. Schakel de juiste personen in, enthousiasmeer anderen met ondernemingslust, doch voldoende realiteitsbesef.

Laat je niet intimideren door of verleiden tot verbaal of schriftelijk geweld. Verlies je niet in onnodig provoceren, maar houd je verre van geslijm en kuiperijen. Voeg daarbij een frisse adem en een niet-hinderlijke lichaamsgeur en je maakt een gerede kans om op een verstilde ochtend je krant open te slaan en oog in oog te staan met een parmantige geneesheer-directeur, poserend naast een space-shuttle die de eerste Severinusbewoners de ruimte zal geven, waarvoor jij zo vurig, maar efficiënt hebt gepleit. Je aanvankelijke irri­tatie over het weglopen van een ander met jouw oorspronkelijkheid ebt spoedig weg om plaats te maken voor het tintelende besef dat jij dan toch maar lid van de bemanning bent en dus de werkelijke sensaties gaat ervaren.

De aandachtige lezer en goede verstaander begreep het al. Dit is geen predi­king tot revolutie, geen oproep tot een revolte. Het is een ongevraagde, doch met graagte gepleegde verduidelijking van het beleid. Er is dus geen enkele reden tot censuur, laat staan ontslag. Men zou wel gek zijn en dus volkomen tegenstrijdig handelen aan de ver­ondersteld inzichtsrijke politiek, door nu net een der weinigen die in de gaten heeft wat men wil bereiken en conform functioneert, te elimineren. Neem dus de handschoen op, kruip uit je schulp en voorkom dat het manage­ment tot de conclusie moet komen dat hun zorgvuldig afgewogen beleid slechts averechts werkt, dat de kopjes nog meer gaan hangen en men zich enkel en alleen nog tevreden stelt met uiterlijk vertoon en schijnverandering.

Één uitspraak wil ik u niet onthouden, gedaan door een weliswaar omstreden, maar onmiskenbare persoonlijkheid uit het naaste verleden. Toen hij hoorde dat ik op het eerste buitenhuis van deze stichting ging werken, sprak hij de wijze woorden: “Maak er vooral geen kleine inrichting van.. “.

Jan/febr. 1985

Hein Meurs

Ps. Noot Mazuro anno 2010: vele verwijzingen zijn nu natuurlijk niet meer te herkennen, laat staan te begrijpen. Ik volsta met één toelichting op de 1e alinea. De latere buitenhuizen heetten (aanvankelijk) Hooghuis en Laaghuis, later Eindstraat (gevolgd door het huisnr. ?), Berg 96 en Nieuwe Kerkstraat 38.

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: