Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘Die Lorelei’


We waren nimmer in Duitsland op vakantie geweest. Nou ja, we hebben vorig jaar een lang weekend in Berlijn verbracht, maar dat telt niet voor mijn gevoel. Berlijn is geen Duitsland, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, want geen andere Duitse plaats is meer doordrenkt van de roemruchte Germaanse historie. Toch had ik er nooit het gevoel in een typisch Duits oord te vertoeven zonder genau zu wissen wat dat dan wel moge zijn. Vielleicht door het kosmopolitische karakter van de stad, de gigantische architectonische tegenstellingen, de dominante aanwezigheid van de jeugd in het straatbeeld? Het is ’n beetje zoals met Amsterdam: van de ene kant Hollandser dan Holland, provincialer dan de provincie en tegelijkertijd een plek waar de hele wereld zich verzameld én genesteld lijkt te hebben, ons Brabanders voorop. De randstedelingen die zich als Übermenschen plegen te profileren ten opzichte van hun medelanders, voeg ik mijn standaardreactie toe: Nederland is één grote provincie.

De reden waarom ik onze oosterburen vakantiegewijs altijd links (van mij uit gezien rechts) heb laten liggen, is een bij mijn generatie overheersende. Al opgroeiende was Duitsland voor mij: Heil Hitler!; Wir haben es nicht gewusst; Jawohl Herr Obersturmbahnführer!; Leck mich doch am Arsch, du Arschloch!; Scheisse!; Schlagermusik.
Het Duits was een taal zum schimpfen, om te bespotten en de spot mee te drijven. Die Deutsche Sprache was het instrument van geweld en onderdrukking. Vreemd genoeg is Die Lorelei het enige gedicht dat ik uit mijn middelbare schooltijd nog nagenau letterlijk kan declameren. Maar destijds was het überhaupt niet salonfähig om ook maar enigszins genuanceerd, laat staan gefascineerd het Duitse cultuurgoed te benaderen. Kort en goed: het was volkomen normaal en volledig geïnternaliseerd dat je het Germaanse ras generaliseerde, discrimineerde, demoniseerde en ridiculiseerde. Ik deed daar vrolijk aan mee en het moet gezegd: het werd me ook wel gemakkelijk gemaakt. Want über alles werden ze voor mij toch die vermaledijde moffen die verantwoordelijk waren voor het grootste drama in mijn leven tot dan toe. Voor alle duidelijkheid en tevens met excuses aan alle oorlogsslachtoffers en -getraumatiseerden: ik ben van 1950.

We schrijven München, 7 juli, ‘Zijn we er toch ingetuind’, 1974. WK-voetbalfinale, Duitsland-Nederland. Need I say more? Tot overmaat van ramp bleek de eerste persoon die ik na de desastreuze afloop tegen het omvangrijke lijf liep in het café annex hotel – we besloten toch maar om ons vooropgezet plan na afloop de kroeg in te gaan uit te voeren – een Duitse hotelgast te zijn! Doorgaans ben ik de welvoeglijkheid en voorkomendheid zelve, maar deze arme oosterbuur zal dit wahrscheinlich nicht bestätigen.

Kortom, Duitsland was allesbehalve mijn favoriete (vakantie)land. Allengs ontdekte ik wel waar De Natie (ik probeer alsmaar tevergeefs die klankovereenkomst met nazi te negeren) ook voor staat en stond. Het Duitse volk baarde niet alleen massaverdelgers, maar ook Wagner, Beethoven, Brecht, Goethe, Marx, Nietzsche, Kant, Schopenhauer, Wittgenstein. Und so weiter. Tegenover Schlagermusik staan Marlene Dietrich, Herbert Grönemeyer, Nena, Kraftwerk, Reinhard “gute Nacht Freunde’ Mey.

Van die Mannschaft uit 1974 was misschien Hölzenbein te verfoeien, maar gek genoeg wekte deze ploeg verder weinig irritatie op. Nadien aanvankelijk steeds meer natuurlijk, want de frustratie was gigantisch. Günther Netzer, Helmut Haller, Franz Beckenbauer waren echter mooie voetballers en nauwelijks omstreden. De latere generatie moest het evenwel bekopen bij het voetbalminnende publiek en zo werd de typisch Duitse, irritante, zuigende, duikelende voetballer gepercipieerd. Met als exponenten: Lothar Matthäus, Stefan Effenberg, Rudi Völler, Oliver Kahn. Ideale types om je op af te reageren, om op te schelden, maar ook om – Verzeihung! – de oorlog, dus wedstrijd mee te winnen. Pas sinds kort durven we te erkennen dat wij manchmal zo’n type ook wel hadden kunnen gebruiken. En willen we toegeven dat er ook best aardige Duitse spelers zijn zoals Jürgen Klinsmann en ….eeuhh…… Nou ja, ze zijn in elk geval lang niet meer zo irritant. Wat wellicht erop duidt  dat ons ’74-trauma slijtende is.

Maar die taal hè. Het laat mij nimmer los. De klanken en woorden kunnen striemen, snijden, blaffen. Maar ook vloeien, stromen, troosten. De namen beklijven en zijn vaak met geen pen te beschrijven. Onverwijld maak ik me lustig om, als daar zijn: Fritz von Turn und Taxis, Hans-Georg Aschenbach und der Sebastian Schweinsteiger. Sommige Duitse gezegdes daarentegen kennen hun gelijke niet, zowel qua klank als diepzinnigheid. Die Gedanken sind frei; Himmelhoch jauchzend oder zum Tode betrübt; Wass sich liebt, neckt sich(…); Alle Brüder werden Menschen, al zal Karl Marx zich(het) nu in zijn graf liever omdraaien. Bovendien is onze eigen taal vergeven van de germanismen en Duitse woorden, zoals dit relaas duidelijk maakt

Na door velen te zijn gewezen op mijn bevooroordeeldheid en stereotyperingen aangaande het Duitse volk en nadat zij mij bovendien verzekerden dat Duitsland in vele opzichten ein fast ideales Ferienort war, heb ik me gestort op de Wiedergutmachung. Onderweg luidkeels zingend: ‘Wilma, wir fahren nach Trier’, togen we naar Rheinland-Pfaltz, de streek van die Mosel, die Saar und die Weintrauben. Inderdaad, Trier, de oudste stad van Duitsland en de stad van Karl Marx.

Und jawohl, ik ben helemaal om! Prachtige natuur, mooie oude architectuur en – niet te versmaden – een ausgezeichnete drink- en eetcultuur. Dat we dikke autopech kregen, is waarschijnlijk de tol die ik moet betalen voor mijn jarenlange miskenning van een natie die het, haar verleden ten spijt, verdient om op haar huidige merites te worden beoordeeld. Overigens was die autopech en alle rompslomp daaromtrent een mooie gelegenheid om te profiteren van de alom geprezen en soms gevreesde Duitse Ordnung und Pünktlichkeit. Welnu, vergeet het maar! Niets Menschliches blijkt de Duitsers vreemd. En gek genoeg doet ook dát me deugd. Dat de stereotypering niet klopt. Het maakt hen in mijn ogen toch weer wat sympathieker. Het kan niet anders dan dat ik mijn gevoelens voor dit lange tijd zo getroebleerde land heb onderdrukt(..), als het ware heb weggemoffeld.

Het wordt tijd voor mijn eigen wederopbouw en ook om hierbij, al dan niet onder invloed van de zinnenprikkelende Riessling en schatplichtig aan JFKunverfroren en hardop uit te spreken: “Ich bin ein Trierer”. Want ik moet natuurlijk wel even afwachten of andere plekken ebenso schön und gemütlich sind. Voor nu zeg ik u: “Auf Wiedersehen und zum Wohl!

Read Full Post »

%d bloggers liken dit: